Metafoor van Reinalda: Het verhaal van Simon Sidderaal

Geplaatst door:

Dit verhaal werd gemaakt voor een jongen van 8 jaar met Gilles de la Tourette. Hij werd daarvoor met medicatie behandeld door een kinderarts. Naar de spelkamer kwam hij, in afwachting van een consult bij een kinderpsychiater, omdat hij zo veel last had van tics dat hij regelmatig moest verzuimen van school. Die tics zorgden voor veel lichamelijke klachten (migraine-achtige hoofdpijn, verkramping van de nek en misselijkheid). Bovendien had hij last van forse slaapproblemen door dwanggedachten. Hij wilde regelmatig ook niet naar school omdat hij zich schaamde over zijn ziekte en de tics. Het enige wat hij kon denken was: waarom moet ik dit hebben en waarom moet ik wachten tot het overgaat als ik volwassen ben.
Tijdens de speltherapie maakte ik dit hulpbronverhaal voor hem. De jongen was er zo blij mee dat hij het graag op school wilde laten zien, zodat andere kinderen ook konden voelen en begrijpen wat het is om Gilles de la Tourette te hebben.
De slaapproblemen hebben we met EFT voor het allergrootste deel opgelost.
Na het werken met het verhaal (het lezen en erover tekenen) werd de jongen steeds meer de baas over zijn tics. Zijn zelfvertouwen nam toe en zijn stemming verbeterde. “Het lijkt wel alsof hij inmiddels accepteert dat het is zoals het is”, zeiden zijn ouders.
De kinderpsychiater heeft hem inmiddels van de wachtlijst voor CGT geschrapt.

Het verhaal van Simon Sidderaal

In een groen meer hier ver vandaan, waar de zon het hele jaar zijn broze stralen over het water laat schijnen, leeft Simon Sidderaal.
Simon is nog jong, maar aan zijn prachtige gladde lijf is al wel te zien dat hij zal uitgroeien tot een sterk en krachtig exemplaar. Zo jong als hij is kan hij al stroomstoten geven van wel 100 volt.
Simon en zijn familie hebben het goed en gezellig met elkaar.
In het groene meer leven, behalve alen, allerlei soorten vissen; brasems, snoeken, stekelbaarsjes. En ook andere dieren zoals rivierkreeften en zoetwatermosselen. Simon kan het goed met iedereen vinden en zijn beste vriend is Ali Paling.

Alle sidderalen maken stroomstoten, die worden opgewekt telkens wanneer ze zich bewegen. Zo kunnen ze de weg vinden in het donker. In het groene meer is Simon de enige aal die zo geboren is dat hij siddert.
Je zou denken dat dit heel handig is en dat Simon blij is met zijn gesidder, want de zon kan niet zo ver door het oppervlak van het water van het grote meer dringen. Maar nergens in het meer is het zo donker dat Simon zijn stroomstoten nodig heeft om de weg te vinden.
Simon vindt het akelig om te sidderen, het ziet er raar uit, het voelt vreemd en hij vindt het lastig dat het gesidder hem steeds maar overkomt. Hij was veel liever een gewone aal, maar hij is nu eenmaal een sidderaal. En omdat hij het zo vervelend vindt om te sidderen denkt Simon soms zelfs wel eens wanhopig: ik wou dat ik een mossel was.
Simon denkt dat anderen ook een hekel hebben aan zijn gesidder. Daarom vindt hij dat hij moet uitkijken waar en wanneer hij siddert. Sidderen kost Simon heel veel energie. Opletten of hij siddert of niet, een sidder inhouden of er tegenin te sidderen, kost hem nóg meer energie. Simon kan er soms helemaal van verkrampen. Zo erg dat hij zich er ziek en zwak en misselijk door voelt. Dat is heel erg akelig! Het liefst verstopt hij zich dan op het donkerste plekje van het hol, alsof hij dan ook ver weg zou kunnen zijn van zijn eigen sidderingen.
En alsof dat gesidder allemaal nog niet ellendig genoeg is, is er nog iets dat Simon anders doet dan de andere bewoners van het groene meer en dat is slapen. Iedere vis kan onder water slapen. Maar slapen is ook iets waar Simon het de laatste tijd moeilijk mee heeft. Het lukt hem niet zich aan de slaap toe te vertrouwen, omdat hij hele zwarte gedachten heeft en dan moet hij vaak even naar de oppervlakte om op adem te komen. Ook dat is vervelend en vermoeiend. Ook daarom denkt hij wel eens wanhopig: ik wou dat ik een mossel was.

Thuis zijn ze allemaal blij met Simon en houden ze veel van hem. Ook daar is hij de enige aal die siddert. Thuis begrijpen ze wel hoe ingewikkeld het voor Simon is als sidderaal. Ze helpen hem zoveel ze kunnen.
Als Simon zich ellendig voelt blijft er altijd iemand in de buurt van zijn donkere verstopplek. Als de sidderingen hem doen verkrampen wrijft zijn vader of zijn moeder net zo lang over zijn lijf tot het zich ontspant. Als Simon zijn zwarte gedachten denkt, zeggen ze allemaal dat ze blij met hem zijn zoals hij is. Zelfs als Simon ’s nachts naar de oppervlakte moet om te ademen, gaat er vaak iemand gezellig met hem mee.
Maar hoe ze ook denken en wat ze ook doen, er is niemand die iets aan Simons gesidder kan veranderen. Daarom blijft Simon weleens wanhopig denken: ik wou dat ik een mossel was.

Op een dag, als het Simon allemaal teveel is geworden zwemt hij weg. Hij verstopt zich niet zoals gebruikelijk in het donkerste hoekje van zijn hol. Hij geeft juist een paar krachtige slagen met zijn staart en met een paar geweldige stroomstoten dendert Simon er vandoor. Hij zwemt en hij zwemt, de ene stroomstoot na de andere afgevend. Door, verder, weg van alles. Dat is wat hij wil.
Onvermoeibaar gaat hij door, tot alle energie is opgebruikt en hij uitgeput op de bodem van een onbekend stuk van het meer neervalt.

Terwijl Simon nog ligt na te hijgen van zijn vlucht ziet hij een zoetwatermossel naast zich.
Simon kijkt en denkt: “Ik wou dat ik een mossel was”.
Bewegingsloos ligt de mossel daar. En Simon kan niet ophouden vol bewondering naar de schelp te kijken: geen enkele beweging te zien, geen trillinkje, geen siddertje.. NIKS, constateert hij.
“Dag Simon”, hoort hij na een poosje.
Verbaasd kijkt Simon om zich heen. Waar komt die stem vandaan?
“Hier ben ik”, hoort hij weer. Maar weer ziet Simon niets anders dan de gesloten schelp van de mossel, het water en het zand.
“Blijf je even?”, zegt de stem.
Simon mompelt “ja”.

“Zeker weten?”, vraagt de stem.
“Ja hoor, wie ben je en waar?”, vraagt Simon.
En dan ineens ziet Simon hoe de mossel heel voorzichtig zijn schelp opent.
“Menno, ben ik”, zegt de mossel. “Ik ben hier. Waar zou ik anders moeten zijn? Het enige dat ik kan is openen, sluiten en parels maken.”
Simon kijkt verbaasd. “Jij kunt je niet verplaatsen?” Menno Mossel knippert bevestigend met zijn schelp. Simon ziet daarbij een traan in een van Menno’s ooghoeken parelen.
“Ik ben een sidderaal en als ik verdrietig ben”, zegt Simon, “dan zou ik willen dat ik een mossel was. Misschien kunnen we een poosje ruilen?”
Menno Mossel doet van verbazing zijn schelp nog een stukje verder open. “Wie wil er ruilen met een mossel”, zegt hij. “Alsof het zo fijn is om een mossel te zijn. Maar okay, als jij dat wilt. Mij lijkt het geweldig om zo’n krachtige sidderaal te zijn.”
En dus ruilen Simon en Menno. Menno geniet, hij zwemt sidderend in het rond tot hij er genoeg van heeft. Dan komt hij terug naar de plek waar Simon al die tijd onbeweeglijk heeft gelegen om te proberen een parel te maken. “Ik ben moe”, zegt Menno. “Ik wil nu mijn schelp weer terug.”
Terug in zijn eigen lijf merkt Simon verbaasd dat hem dit veel beter past. Het had hem altijd zo prettig geleken om een mossel te zijn, maar achteraf vond hij het saai. Peinzend laat hij zich wegdrijven op de stroming. Hij zegt Menno Mossel niet eens goedendag en ziet daarom niet hoe die rustig en tevreden verder gaat met het produceren van zijn parels.
Na niet al te lange tijd komt hij Sjonnie Snoek tegen. “Wat moet je? Dit is mijn territorium,” bromt Sjonnie.
Om hem te vriend te houden vertelt Simon hem zijn verhaal. “Altijd als ik verdriet had om mijn gesidder wenste ik dat ik een mossel was. Nu heb ik Menno Mossel ontmoet en ontdekt dat hij zelf helemaal niet altijd blij is een mossel te zijn. Ik heb even met hem geruild en daarom weet ik dat een mossel zijn me toch ook niet zo fantastisch lijkt. Ik kan beter iets anders wensen. Misschien dat ik met jou kan ruilen?”

“Jij bent sterk en een fantastisch goede vriend. Ik wil wel met je ruilen. Maar weet je zeker dat jij wilt ruilen met het grootste zoetwater roofdier dat er in het groene meer zwemt”, zucht Sjonnie. “Ze zullen bang voor je zijn.”
Simon krabt zich verbaasd met een vin over zijn voorhoofd. Zo’n stoere snoek, die niet gelooft dat anderen hem prima in orde vinden…
Zodra ze geruild hebben ziet Simon Sjonnie vonkend door zijn territorium schitteren. Maar hij merkt ook dat zijn eigen vrienden nu een beetje afstandelijk om hem heen draaien. Dat bevalt hem niets. “Ik ben het! Simon!” bromt hij steeds. Maar zijn vrienden lijken het niet te geloven, omdat zijn stem als twee druppels op die van Sjonnie lijkt. Hij is blij als Sjonnie eindelijk terugkomt en ze weer gewoon zichzelf kunnen zijn. Vol verbazing over deze ontdekking zwemt Simon verder.

Na een poosje botst hij bijna tegen Barend Brasem op. Ze kennen elkaar van de vissenschool.
“Wat is er met je?” vraagt Barend heel beleefd.
En omdat ze elkaar goed kennen vertelt Simon wat hem is overkomen. “Ik was verdrietig”, zegt hij omdat ik zo’n last heb van mijn gesidder. Ik wenste vaak dat ik een mossel was. Maar nu heb ik Menno Mossel ontmoet en ontdekt dat het voor mij toch niet prettig is een mossel te zijn. En toen botste ik tegen Sjonnie Snoek, je weet wel die kanjer… En ik vertelde hem van mijn probleem. Maar toen ik met hem ruilde ontdekte ik dat ik mijn eigen manier van er zijn voor mijn vrienden me beter bevalt. Ik zou het verschrikkelijk vinden als alle anderen bang voor me zijn. Misschien dat ik beter met jou kan ruilen?”
Barend Brasem zuchtte eens. Toen schraapte hij zijn keel en hij sprak: “Weet wat je vraagt. Van ons soort wordt altijd beweerd dat we veel te slijmerig van aard zijn. Maar ik zou best een poosje in jouw strakke vel rond willen zwemmen.”
Simon wist niet meer hoe hij het had. Barend Brasem, die hij zo goed dacht te kennen van de vissenschool, was ook niet helemaal tevreden met zichzelf. Maar toen hij even in Barends schubben was gekropen miste hij meteen zijn eigen strakke vel.
Terwijl hij daar nog over aan het nadenken was kwam Stefan Stekelbaars voorbij.
“Nu of nooit”, dacht Simon en hij riep: Stefan wil je met me ruilen?”
“Jij met mij?”, vroeg Stefan verbaasd. “Dat zou je willen. Ik ben veel te mooi en te goed en te belangrijk om met wie dan ook te ruilen. Kijk maar naar mijn rode buik! Zoiets heeft niemand anders hier in het meer! Waarom zou ik in hemelsnaam iets anders willen zijn?” En hups, met de neus omhoog zwom Stefan van hem weg.
Hij is wel heel erg overdreven tevreden met zichzelf, constateerde Simon. En hij bedacht dat daarom juist Stefan Stekelbaars vaak zo eenzaam door het meer zwom en iedereen hem nogal stekelig vond.

Terwijl hij zich even oriënteerde om koers naar zijn hol te kunnen zetten gingen er allerlei gedachten door zijn hoofd. Iedereen wilde met hem ruilen. Hij had zo vaak gewenst dat hij iets anders was dan een sidderaal, maar nu wist hij het niet meer…Iedereen leek wel iets te hebben waar hij niet helemaal tevreden over was en wat Simon zelf helemaal niet wilde hebben.
Zo verwaand als Stefan Stekelbaars worden, dat leek Simon helemaal niets.
Menno Mossel kon zich niet verplaatsen. Iedereen was bang van Sjonnie Snoek. Barend Brasem was wel erg slijmerig. Het allerfijnste voelde Simon zich toch eigenlijk gewoon in zijn eigen vel en lijf.
Maar toch… dacht Simon, ik zou zo graag van mijn gesidder af zijn. Van mijn gesidder heb ik altijd zoveel last!

Juist op dat moment zag hij ergens opgerold zijn vriend Ali Paling. “Daar ben je”, zei die. “Ik heb je de hele dag gezocht. Waar heb je in ’s hemelsnaam uitgehangen.”
Simon vertelde Ali wat hij allemaal beleefd had deze dag. Hij vertelde over zijn kennismaking met Menno Mossel en met Sjonnie Snoek. Hij vertelde over zijn gesprek met Barend Brasem en met Stefan Stekelbaars. En over hoe hij geruild had en met wie.
“Het is raar, maar waar”, zei Ali. “Iedereen heeft wel iets. De een is te slijmerig, de ander te eng of te verwaand. Ik vind mezelf bijvoorbeeld een nogal saai en kleurloos dier. Simon knipperde met zijn ogen. Hij geloofde zijn oren niet.
Ali vervolgde: “Jij ervaart elke siddering als een enorme belemmering. Maar ik ben ik en jij bent jij. Jij bent helemaal okay voor mij!”
Simon zuchtte. Hij voelde dat hij kwaad werd en hij kreeg eigenlijk zin om eens flink te ontladen. “Makkelijk praten, makkelijk praten”, zei hij. “Niemand is misschien helemaal perfect, maar ik ken niemand hier in het groene meer die zo moet sidderen als ik”.
Terwijl hij zo zat te pruttelen, rapte Ali een liedje voor zijn vriend:

Ik ben ik en jij bent jij
Jij bent gewoon okay voor mij

Dat klopt, dacht Simon. Ik vind Ali Paling helemaal okay, ook al heeft hij een veel saaiere kleur dan ik.
En Barend Brasem is gewoon wie hij is, ook al is zijn huid dan slijmerig. Sjonnie Snoek hoeft alleen maar wat minder bazig te doen om te zorgen dat zijn vrienden zijn vrienden blijven. En juist doordat Menno Mossel een mossel is kunnen er binnenin hem de mooiste parels groeien.
Misschien… heel misschien, dacht Simon, klopt dat liedje ook voor mij. En in zijn hoofd rapte hij meteen een verandering:

Ik ben ik en jij bent jij
Niet gewoon wij allebei

Daar werd hij vrolijk van. Er trok even een kleine sidder door zijn lijf.
Zo zwom hij steeds luider rappend door het groene meer, terwijl hij het deuntje net zo lang  veranderde tot het hem helemaal paste:

Ik ben ik en jij bent jij
niet gewoon, toch blij met mij

Simon ging zo in het liedje op dat hij niet goed uitkeek waar hij zwom. Onverwacht botste hij tegen een vreemd wezen op.

Het was Ricardo Rivierkreeft die mompelde: “Daar hebben we je dan. Ik wist dat ik je nog eens zou tegenkomen”.
Verbaasd vroeg Simon: “Hoezo?”
“Nou”, sprak Ricardo, “ik kom van ver en ik ben hier om je iets uit te leggen over dat gesidder van jou. Daar waar ik vandaan kom zijn meer sidderalen. Ze willen je iets laten weten.”
Simon keek verbaasd en hij hield zijn kop schuin, om te laten merken dat hij benieuwd was wat Ricardo te vertellen had.
“Hoe ouder je wordt, hoe minder last je zult hebben van je sidderingen. Je hoeft er zelf niet zoveel aan te doen; de tijd zal je leren het gesidder te beheersen. Nu is het nog de baas over jou, maar op een dag, ergens in de toekomst en wie weet al veel sneller dan je nu kan dromen, wordt dat omgedraaid.”
Simon zuchtte. Het klonk te mooi om waar te zijn.
“Je vindt het moeilijk om me te geloven,” zei Ricardo. “Ik vertel je wat ik van andere sidderalen weet. Met rivierkreeften is iets soortgelijks aan de hand. Wij kunnen alleen maar groeien door uit onze schaal te barsten. Voor we een nieuwe schaal krijgen zijn we iedere keer een poosje zacht en week; een soort van kwetsbaar naakt. Om niet te worden opgevreten moeten we ons dan een tijd verschuilen. Dat vond ik altijd ingewikkeld en eenzaam bovendien. Maar hoe groter ik werd, hoe minder vaak ik verschaalde.”

Simon merkte dat hij er eens goed over wilde nadenken. Hij bedankte Ricardo Rivierkreeft en zocht een lekker zonnig plekje op. Vandaar had hij een mooi uitzicht over het groene meer. Terwijl hij zich liet koesteren door de broze zonnestralen, keek hij goed om zich heen en ontdekte heel veel verschillen en ook heel veel overeenkomsten bij al de dieren die er leefden.
Hij merkte hoe goed zijn eigen vel en lijf hem pasten.
Hij keek ook in zijn binnenste binnen en hij genoot van de rap die hij daar hoorde ontstaan:

Als ik gewoon ik mag zijn en jij gewoon jij
dan komt het wel goed met ons allebei.

0

Over de auteur:

Reinalda Kerseboom is al meer dan 30 jaar speltherapeut. Ze volgde haar NLP-opleidingen en de opleiding tot provocatief coach bij het IEP. Ze is gespecialiseerd in het werken met metaforen. Ze is auteur van een aantal boeken met en over hulpbronverhalen. Ze heeft een praktijk in Renkum, waar ze kinderen, jongeren en ouders ziet. Ze verzorgt workshops en trainingen.
  Artikelen die hiermee samenhangen

Voeg een Commentaar