Heeft elk gedrag een positieve intentie?

Geplaatst door:

Elk gedrag heeft een positieve intentie en was ooit iemands beste keuze. Die vooronderstelling hebben we als NLP-ers allemaal geactiveerd. Toch heb ik er af en toe grote moeite mee. Zo ook in het geval van Jonas.  Hij is 5 jaar en hij woont samen met zijn broertje sinds ongeveer een jaar in een pleeggezin. Het gaat daarbij om, wat ze in de jeugdzorg noemen, een perspectief biedende plaatsing. Dat wil zeggen dat meteen al bij de uithuisplaatsing duidelijk is dat de kans op terugkeer naar de eigen ouders gering is. Zo’n beslissing wordt niet vaak genomen.
Jonas is een pienter en leergierig kind. Hij speelt graag in mijn spelkamer. Soms herinneren spelattributen hem aan hoe het vroeger bij zijn ouders was en daar vertelt hij me dan over. Ik heb er moeite mee om getuige te zijn van de wreedheden waar hij me dan deelgenoot van maakt. Soms herinneren spelmaterialen hem ook aan leuke dingen van vroeger. Dat die er ook waren en dat hij oprecht van zijn ouders houdt kan ik aan zijn gezichtje zien.
Jonas komt naar speltherapie om de vervelende gebeurtenissen en de uithuisplaatsing te verwerken en hij heeft ook hulp nodig omdat hij behoorlijk heftig automutileert en kampt met driftbuien. Verder is er veel onaangepast gedrag. Het spelen en praten in de spelkamer heeft wel enig effect, maar de boze buien en de zelfbeschadiging nemen niet genoeg af en de continuering van plaatsing in het pleeggezin loopt daardoor gevaar. Daarom bedacht ik dat hij een extra steuntje in de rug verdiende in de vorm van een  hulpbronverhaal.
Ik heb bij het schrijven van dat verhaal lang geworsteld met die ene vooronderstelling, want het kost me moeite om de positieve intentie van de mishandelingen en de verwaarlozing door zijn biologische ouders te kunnen zien, laat staan in te voelen. Gelukkig kan ik in zulke situaties terugvallen op twee bevriende collega’s die met me meedenken en redigeren. Na heel veel schrappen en verbeteren ontstond het volgende verhaal.
De mensen die het gezag over hem hebben heb ik het verhaal laten lezen. Ze denken dat het beangstigend voor hem en te confronterend voor zijn biologische ouders is en adviseren mij en de pleegouders het verhaal niet aan hem te vertellen.  Ik ben lang blijven piekeren over de positieve intentie van dát gedrag. Ik heb veel energie in overleg met hen gestoken over redenen waarom dit verhaal zou kunnen helen, maar zij bleven erbij dat dit verhaal niet verteld zou moeten worden.

Na een poosje -waarin de meldingen over probleemgedrag zich maar bleven opstapelen- heb ik het verhaal, uiteindelijk zonder instemming van de voogden, toch voorgelezen. Ik was me zeer bewust van mijn positieve intentie erbij. Toch vond ik het spannend. Dat Jonas dat ook vond kun je terug zien op de video die ik er van maakte.
Inmiddels is dat al weer eventjes geleden…. en komen er voorzichtige meldingen dat het wat betreft de boze buien en het automutileren al ietsje beter met hem gaat.

 wide awakeFielfri

Wel honderden jaren geleden, toen er nog dwergen bestonden en kabouters en magiërs en toen veel mensen het niet zo goed hadden als nu en er velen arm waren, leefde er een jonge dwerg. Hij was familie van een paar van de zeven dwergen die woonden in het huisje waar Sneeuwwitje zich schuilhield.
Zijn naam was Fielfri en hij was een bijzondere dwerg.  Hij was erg slim; hij begreep en onthield alles wat hem werd uitgelegd over de natuur, de dieren in het bos en de geschiedenis van het Ruigerheem, de plaats waar hij tot voor kort gewoond had.
Fielfri was ook een hele vriendelijke dwerg die graag speelde met de andere dwergen en ook met kabouters en dan altijd wel ideeën had wat ze konden doen; eekhoorn rijden, vliegen vangen, glijbaantje glijden in het dassenhol, slakken zoeken, noem het maar op.
Ook de ouderen genoten van zijn gezelschap. Fielfri was altijd benieuwd wat ze hem nog te leren hadden en hij hield erg van een grapje.
Kortom, de anderen hadden hem graag om zich heen.

Soms echter, had Fielfri wel zijn moeilijke momenten. Hij kon dan enorm boos worden; hij vloekte en tierde en schopte alle planten om zich heen kapot. Soms stompte of beet hij zichzelf en een enkele keer liep hij zelfs hard tegen een oude beuk aan. Dan zat hij onder de schrammen en de blauwe plekken. Geen andere dwerg of dier kon hem op zo’n moment kalmeren. Hij leek dan alle stormkracht van het hele Ruigerheem in zich te hebben opgeslokt.

Wanneer je zijn verhaal zou kennen, dan begrijp je eigenlijk ook wel hoe dat zo gekomen is. Het verhaal van Fielfri is namelijk een verhaal met prettige en leuke, maar ook nare en onbegrijpelijke gebeurtenissen. Maar gelukkig is het ook een verhaal over nieuwe kansen.

Fielfri was geboren in het Ruigerheem. Langs de rivier het Diep stond het ondergrondse huisje waar hij met zijn moeder en drie andere jonge dwergen woonde. Het huisje was gemaakt van takken met een dak van gras en mos en kronkelende boomwortels tussen het zand op de vloer. Zonlicht kon er niet zo goed naar binnen, want de kleine ramen zaten vol met stof en modder.
Fielfri’s vader was een dwerg van de Verre Vlakte, hij woonde daar waar de rivier het Diep begon. Hij kwam vaak in het Ruigerheem op bezoek.

Het leven in het Ruigerheem was ingewikkeld en zwaar. Fielfri’s ouders hadden weinig geld, maar ze deden wat ze konden om er te overleven. “In de huizen van kabouters, waar kinderen wonen, is altijd vrolijkheid en geluk”, hadden ze op een gegeven moment tegen elkaar gezegd. “Misschien moesten we hier ook kinderen hebben.” En zo kwam het dat er kinderen kwamen in het ondergrondse huisje. Fielfri’s ouders waren blij met hun kinderen en ze hielden van hen allemaal, maar tegelijkertijd bleek het ingewikkelder om goed voor hen te zorgen dan ze ooit hadden gedacht. Want de vrolijkheid en het geluk kwamen natuurlijk niet vanzelf met de kinderen mee. Daar moest veel voor gebeuren en dwergen opvoeden bleek lastig  in het Ruigerheem. Het gebied werd namelijk geplaagd door vele stormen.
Fielfri’s ouders verbouwden graan op de enige akker van hun land, waar bijna niets leek te willen groeien. Elk jaar leverde dat maar net genoeg graan op om de molenaar van te betalen en daarna brood en pap van het meel te kunnen maken. Soms leverde het graanveld niet genoeg op. Af en toe moest Fielfri toekijken hoe de laatste boterhammen werden opgegeten en dan ging hij zonder eten naar bed.
Dat was naar. Maar er gebeurden in het Ruigerheem dingen die nog veel vervelender waren. Dingen die geen enkele dwerg zou moeten meemaken en jonge dwergen al helemaal niet.

Het kon namelijk zomaar gebeuren dat er op het Ruigerheem zelf of vanuit de Verre Vlakte een zware storm opstak. En het lukte Fielfri’s ouders niet altijd om te voorkomen dat zo’n storm dan het ondergrondse huisje binnendrong, hoe hard ze dat wel probeerden. Vaak was de storm ook hen de baas.
Fielfri had eigenlijk nooit in de gaten wanneer of waarom er zo’n storm aanwakkerde. Het ene moment verzorgde zijn moeder hem, hielp ze hem en deed ze hem voor hoe hij dingen kon doen, zoals dwergenmoeders dat meestal doen. Dat was fijn en Fielfri genoot daarvan. Het andere moment raasde er ineens een donkere storm door het huisje, die Fielfri pijn en angst bezorgde en die maakte dat zijn moeder ineens niet meer voor hem leek te kunnen zorgen. Hij begreep zelden waardoor dat gebeurde. Hij voelde zich dan alleen met zijn verdriet en angst.
Als zijn vader er was leerde hij Fielfri dingen en ondernam hij dingen met hem, zoals de meeste dwergenvaders doen. Dat vond Fielfri leuk en het gaf hem een stoer gevoel. Maar soms kwam met zijn vader ook een felle storm van de Verre Vlakte mee, die zich door de kieren en gaten van het huisje naar binnen wurmde. Fielfri vond het griezelig en bedreigend als dat gebeurde. Zijn vader was dan ineens zijn stoere vader niet meer en Fielfri wist dan niet waar hij het zoeken moest van bangigheid.
Zijn ouders probeerden de kleine dwergen wel te beschermen tegen de storm. Soms door deuren stevig achter hen te sluiten, soms door hen uit de buurt te proberen te houden. Maar de storm was meestal sterker dan zij, ze konden er niet tegenop. Fielfri was er zelfs weleens gewond bij geraakt. Hij droeg er een litteken van onder zijn muts.

Fielfri vond het vreselijk wanneer het zijn vader of moeder niet lukte hem en de andere dwergen tegen een storm te beschermen. Hij probeerde natuurlijk zijn stinkende best te doen om niets doen dat een storm zou aantrekken. Maar hoe goed hij zijn best ook deed, er woedde toch  regelmatig een storm in het huisje. En Fielfri kon dan niet anders dan afwachten tot de storm ging liggen en iedereen in het kleine ondergrondse huisje weer rustig zijn gang kon gaan.
Hoe het kwam dat de stormen het huisje bedreigden en het Fielfri’s ouders niet altijd lukte hun kinderen daartegen te beschermen, was ingewikkeld om te begrijpen. Fielfri snapte daar helemaal niets van, maar zelfs de grotere dwergen vonden dat een raadsel.
Niemand kon hem vertellen hoe die stormen ontstonden. Iedereen wist wel dat zijn ouders alles deden wat in hun macht lag, maar dat ze er helaas toch niet altijd in slaagden hun kinderen in veiligheid te brengen. De stormen waren hen te vaak de baas. Er werd soms gefluisterd dat dit kwam doordat zijzelf als jonge dwergen in het Ruigerheem veel te veel stormen hadden meegemaakt en dat ze misschien nooit echte veiligheid en bescherming hadden gekend. Of dat ze misschien zelf nooit hadden geleerd hoe je jonge dwergen tegen zulke stormen kunt beschermen of dat ze geen hulp hadden gekregen om dat goed te leren. Maar niemand wist dat zeker.
Omdat het zo onbegrijpelijk was dacht Fielfri als dat gebeurde weleens dat het door hem kwam dat er zo ineens stormen opstaken. Vaak piekerde hij over wat hij precies gedaan had en wanneer hij misschien stout of ondeugend was geweest. Maar hij wist eigenlijk niet wat het dan zou moeten zijn wat zo erg was dat het deze stormen teweegbracht.
Alle andere dwergen die Fielfri kenden wisten heel zeker dat Fielfri er geen schuld aan droeg en dat hij er absoluut niets aan kon doen. Hij wist weliswaar nog niet altijd hoe de dingen hoorden te gaan, maar dat is heel gewoon als je jong bent. Dat is zo bij dieren en bij mensen en kabouters en zeker ook bij dwergen. Zelfs bij Magiërs. Fielfri was nog zo jong dat hij van alles nog mocht leren en bij alle nieuwe dingen nog hulp mocht verwachten.

De verschrikkingen van de stormen bleven maar doorgaan. Voor Fielfri leek het alsof niemand in het Dorp aan het Diep, de rivier die langs het Ruigerheem stroomde, er iets van merkte. Niemand leek te zien of te horen wat er gebeurde in het donkere ondergrondse huisje. Door de donkere ramen konden de anderen niet naar binnen kijken en het dak van gras en mos hield alle geluiden binnen.
Toch was er wel verandering op komst. Telkens als er een storm door het huisje raasde, ontsnapten er groenige wolkjes waarop de bangheid en het verdriet van Fielfri, maar ook van de andere jonge dwergen binnenshuis, meegedragen werden naar buiten. Die wolkjes werden meegenomen op de stroom van de wind. De Zon had in de gaten wat er gebeurde en vond het op een gegeven moment hoog tijd de hulp in te schakelen van de Magiër.
Die Magiër woonde op een bijzondere plek niet ver van het huis van Fielfri. Wanneer je de stroom van de rivier het Diep volgde vanaf het huisje van Fielfri en dan doorliep tot aan de derde boom, kwam je bij zijn huis terecht. Deze Magiër had een speciale taak: hij hield namelijk het  leven langs het Diep en speciaal in het Ruigerheem en op de Verre Vlakte  in de gaten. In het bijzonder had hij oog voor de angst en het verdriet van alle kleine dwergen in zijn omgeving en dus ook voor Fielfri en zijn broers en zusjes. Hij wist dat het er vaak gemeen kon stormen en dat het voor sommige dwergenouders ingewikkeld was om hun kinderen dan een veilig heenkomen te bieden. Hij bood hen zijn hulp aan om de stormen te kunnen keren.  Maar hij wist dat dit helaas niet altijd lukte.
De Magiër wist ook dat alle kleine dwergen het liefst bij hun eigen ouders wonen en dat alle ouders het beste voor hun kinderen proberen te doen. Daarom greep hij pas in wanneer dat echt niet anders meer kon. Vroeger had hij al verschillende jonge dwergen moeten weghalen uit het Ruigerheem. Hij had hen naar een plek geleid waar het veiliger voor ze was om op te groeien en ze in de luwte konden blijven.
Op een dag kreeg de Magiër een signaaltje van de Zon. Die zond hem het bericht dat het ogenblik was aangebroken om ook Fielfri en de anderen uit het huisje in het Ruigerheem weg te halen.

De Magiër had de bangheid en het verdriet al enige tijd aangezien en was het met de Zon eens dat het vanwege de steeds terugkerende stormen niet langer verantwoord was om de dwergenkinderen in het huisje in het Ruigerheem te laten blijven. Hoezeer hij ook wist dat de vader en moeder van Fielfri zeker ook op hun eigen manier van hem hielden en dat ze alles probeerden om de stormen tegen te gaan, net zo zeker wist hij ook dat het hen desondanks niet lukte om Fielfri de veiligheid te bieden die elke jonge dwerg nodig heeft.
De Magiër ging dus op weg naar het huis van Fielfri en gaf aan zijn ouders de boodschap dat Fielfri en de andere dwergen met hem mee zouden gaan. De ouders van Fielfri vonden dat heel moeilijk. Ze  wilden hun jonge dwergen natuurlijk heel graag bij zich houden. Ze waren weliswaar niet in staat te voorkomen dat er stormen door hun huisje woedden, maar Fielfri en de anderen waren wel hun kinderen van wie ze hielden met heel hun hart.

Maar de Zon en de Magiër hadden er echt goed over nagedacht en bleven bij hun besluit: Fielfri en de andere jonge dwergen moesten naar rustiger en veiliger oorden worden overgebracht.
Eerst gingen ze voor korte tijd naar een speciale dwergenopvang. Daar konden ze tussen andere jonge dwergen bijkomen en uitrusten van de verschrikkingen van de stormen in het Ruigerheem. In de tussentijd werd gezocht naar een gezin waar ze meer zorg, bescherming, en natuurlijk ook hulp en liefde zouden krijgen. Die dingen die zo belangrijk zijn voor alle jonge dwergen.
Fielfri kwam, samen met een van de andere dwergen, terecht in het huis van kabouters. De Magiër was er van overtuigd dat dit een hele goede plek voor hem was. Het was voor Fielfri al een beetje een bekende plek, omdat hij sinds een tijd bevriend was met een van de kaboutertjes die daar met zijn ouders woonde.
Fielfri en zijn vriend hadden veel plezier en ze bedachten veel leuke dingen om te doen. Vaak kon je hen samen horen giechelen en grinniken. En er was niets zo leuk als samen uitproberen wat ze die dag hadden geleerd aan dwergen -en kabouterzaken.

Fielfri was op de beste plek die een dwerg uit het Ruigerheem, die niet bij zijn eigen ouders kon blijven, zich wensen kon. Toch was de angst en het verdriet niet in één keer uit Fielfri’s dwergenlijf verdwenen. Soms werd hij ineens overvallen door een diep verlangen gewoon weer bij zijn eigen ouders te zijn en tegelijk door het besef dat dit misschien lange tijd onmogelijk zou zijn.
Het kon ook zomaar gebeuren dat iets kleins herinneringen aan de stormachtige gebeurtenissen in het Ruigerheem in hem wakker maakte. En natuurlijk waren dit de dagen dat hij enorm boos werd; dat hij vloekte en tierde en dat hij alle planten om zich heen kapot schopte en dat hij zichzelf pijnigde met stompen of bijten.
Dat waren de dagen waarop geen andere dwerg en zelfs geen dier hem kon kalmeren en hij alle stormkracht van het hele Ruigerheem in zich leek te hebben opgeslokt.
De kabouters in zijn nieuwe huis schrokken er soms van. Ze hadden met Fielfri te doen. Ze waren bezorgd en wilden hem graag helpen en voorkomen dat Fielfri zichzelf zou beschadigen en iedereen om hem heen aan het schrikken zou maken.
Maar als ze Fielfri toespraken of probeerden hem tegen zichzelf in bescherming te nemen dan snapte Fielfri niet wat er gebeurde. Dát had hij nog nooit meegemaakt. Hij was dan zelfs bang dat er ook in het kabouterhuis een storm zou opsteken. Hij wist niet wat hij er mee aan moest en het liefst wilde hij op zo’n moment gewoon verdwijnen.
De kabouters begrepen dat wel. Ze legden hem vaak genoeg uit dat hij bij hen binnen niet bang hoefde te zijn voor stormen. Zij hadden geleerd zichzelf en de kinderen tegen stormen te beschermen.
Toch bleef Fielfri zich er zorgen over maken en soms, als hij weer eens dacht dat hij iets fout had gedaan, verzon hij dingen uit angst dat ook er bij de kabouters plotsklaps toch ook een storm zou opsteken.
Gelukkig wisten zij wel dat Fielfri’s angst tijd nodig had om uit zijn lijf te verdwijnen. Ze wilden hem daar heel graag bij helpen en daarom  maakten ze op een avond bij het licht van een volle maan een lied voor hem:

Fielfri, Fielfri dappere dwerg
Wat gebeurd is, dat was erg
De pijn en angst bij jou van binnen
zal je met de tijd wel overwinnen.
Je bent uit het Ruigerheem meegenomen
en bij ons kabouters terechtgekomen.
Omdat je nu niet woont bij je vader of moeder
zullen wij er voor jou zijn, als was je een broeder.
En al woon jij hier en wonen je ouders daar
Jullie blijven voor altijd familie van elkaar.

Alles hier is anders dan voorheen
Misschien voel jij je nog erg alleen
Maar weet dat we allemaal achter je staan
Wij zullen jouw weg samen met je gaan
Je  mag hier helemaal zijn wie je bent
gewoon een dwerg zoals ieder die kent:
soms grappig, soms ernstig, soms boos en soms lief
Wij kunnen het hebben, ook al ben je wel eens explosief
Wanneer jij ons laat weten hoe het voelt bij jou van binnen
Dan zullen wij  je helpen om oplossingen te verzinnen.

Het was een lang lied en de kabouters zongen het vaak en graag voor hem, soms als het nodig was, soms zomaar, omdat ze het een mooi lied vonden.
Fielfri leerde het lied daardoor ook zelf te zingen. En slim als hij was zong hij het voor zichzelf als hij er zin in had. Hij kende het lied al snel uit zijn hoofd. Toch zong hij soms maar een paar regeltjes. Vooral als hij die nodig had.
Hij probeerde, zoals de herten en reeën doen, de verschrikkingen van de stormen in het Ruigerheem van zich af te schudden terwijl hij de eerste regels zong:

 Fielfri, Fielfri dappere dwerg
Wat gebeurd is, dat was erg
De pijn en angst bij mij van binnen
zal ik met de tijd wel overwinnen.

Op de dagen dat hij zijn vader en moeder heel erg miste neuriede hij in zijn hoofd:

Ik ben uit het Ruigerheem meegenomen
en bij de kabouters terechtgekomen.
Omdat ik nu niet woon bij m’n vader of moeder
zijn deze kabouters voor mij, als was ik hun broeder.
Maar al woon ik hier en wonen mijn ouders daar
We blijven voor altijd familie van elkaar.

En als het idee zich in zijn hoofd nestelde dat de kabouters hem stout vonden, dan zong hij luidkeels het laatste couplet van zijn lied:

Alles hier is  anders dan voorheen
Soms voel ik mij nog wel alleen
Maar ik weet dat ze allemaal achter me staan
En dat zij mijn weg met mij samen zullen gaan
Ik  mag  hier helemaal zijn wie ik ben
gewoon een dwerg zoals ieder die kent:
soms grappig, soms ernstig, soms boos en soms lief
Zij kunnen het hebben, ook al ben ik wel eens explosief
Wanneer ik ze laat weten hoe het voelt  bij mij van binnen
Dan zullen ze me helpen om oplossingen te verzinnen.


In de jaren die volgden ging het steeds beter met Fielfri.
Zijn angst verdween en zijn woede werd hanteerbaar. Hij leerde hoe hij zichzelf en anderen tegen stormen kon beschermen.
De dagen dat hij vloekend en tierend door het bos liep te schoppen werden minder en minder. Hij groeide op tot een blije dwerg die zich overal thuis voelde.
Hij bleef voor altijd van zijn ouders houden en zij van hem.
Dus bracht hij soms tijd met hen door waar en wanneer dat in veiligheid kon.
Zijn ouders misten hem natuurlijk, maar ze waren uiteindelijk vooral blij dat Fielfri veilig kon opgroeien, juist omdat ze van hem hielden.
Waar hij verder ook was en waar hij ook heenging, hij bracht vrolijkheid en geluk, precies zoals zijn ouders gehoopt hadden.

 

 

 

 

0

Over de auteur:

Reinalda Kerseboom is al meer dan 30 jaar speltherapeut. Ze volgde haar NLP-opleidingen en de opleiding tot provocatief coach bij het IEP. Ze is gespecialiseerd in het werken met metaforen. Ze is auteur van een aantal boeken met en over hulpbronverhalen. Ze heeft een praktijk in Renkum, waar ze kinderen, jongeren en ouders ziet. Ze verzorgt workshops en trainingen.
  Artikelen die hiermee samenhangen

Voeg een Commentaar