Modelleringsverslag Dorothy Zwarthoed: Jonge kinderen aansturen

Geplaatst door:

Inleiding
Tijdens mijn NLP master was mijn doel om te modelleren hoe je een dag met kinderen energiek doorbrengt. Dit was voor een modelleringsproject te groot. Er zijn veel vermogens die daarbij van pas komen, je zou er een heel boek over kunnen schrijven. Ik heb me toegespitst op het vermogen om jonge kinderen verbaal aan te sturen. Als ik mijn kinderen soepel van de ene activiteit naar de andere zou kunnen leiden, zou dat energie opleveren en frustratie verminderen, zowel bij mij als bij mijn kinderen. Het vermogen om kinderen verbaal aan te sturen draagt bij aan mijn doel om een dag met kinderen energiek door te brengen.
Er is veel geschreven over het opvoeden van kinderen, iedereen heeft er wel een mening over en er zijn veel boeken, websites, en cursussen over. Toen ik dit modelleerde, waren mijn kinderen 3 en 1 jaar oud. Hoewel ik relatief goed op de hoogte ben van de theorieën op opvoedgebied, en ik ook goed met kinderen om kan gaan, viel mij op dat mijn 3-jarige zoon regelmatig met mij in discussie ging wanneer ik hem een verzoek deed of vertelde wat hij moest doen. Hij had een weerwoord, draalde of deed net alsof hij mij niet hoorde. Ik dacht dat het bij de leeftijd hoorde, totdat ik bij een rondleiding op school merkte dat een leerkracht hem zo vertelde wat hij moest doen dat hij ogenblikkelijk volgde. Dit verbaasde me (en irriteerde me tegelijkertijd, want hoezo kan een totale vreemde wat ik niet kan???).  Een mooi project om met NLP eens te onderzoeken hoe dat werkt.
Ik heb een leerkracht gemodelleerd. Zij staat voor een groep met kleuters van 4 tot 6 jaar. Ze heeft ook veel ervaring met kinderen van 0 tot 4 jaar. Zij spreekt kinderen aan op een manier waarbij de kinderen haar enthousiast volgen. Het gevolg is dat normale activiteiten zoals jassen aantrekken, de was opvouwen en zelfs opruimen een feestje worden en soepel verlopen.

Doel van de techniek
Het doel van mijn techniek is jonge kinderen verbaal aan te sturen zodat ze doen wat jij zegt. Dit vermogen is bedoeld voor iedereen die met jonge kinderen te maken heeft. Dat kan zijn in een professionele setting zoals leerkrachten, kinderleidsters, behandelaars, maar met name ook ouders van kinderen in die leeftijd. De techniek is met name geschikt voor kinderen van 0 tot 6 jaar.

Hoe weet je dat een gebruiker van de techniek het doel bereikt heeft?
Ik weet dat een gebruiker het doel bereikt heeft wanneer ik zie aan de gebruiker dat hij goed contact met het kind maakt, rustig is, ik hoor dat hij duidelijk verstaanbaar is en richting geeft aan de actie van het kind. Ik weet dat hij het doel bereikt heeft als mij duidelijk is wat hij precies verwacht van het kind.
Idealiter weet ik wanneer de gebruiker het doel bereikt heeft wanneer ik zie dat het kind doet wat hem wordt verteld, onmiddellijk, met zin, vanzelfsprekend, en in goed contact met diegene die de techniek gebruikt. Deze uitkomst is echter ook afhankelijk van het kind en daarom voor het goed uitvoeren van de techniek wel het beoogde doel, maar niet de check of de gebruiker het doel bereikt.

Overzicht van de techniek
Jonge kinderen verbaal aansturen

  1. Bedenk wat je wilt dat het kind doet
  2. Bereid je zelf voor
  3. Maak contact met het kind
  4. Vertel het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet
  5. Check of het kind jouw opdracht begrepen heeft
  6. Actie starten en kind complimenteren

Vooronderstellingen en metaprogramma’s
Voor het goed uitvoeren van deze techniek is het van belang de volgende vooronderstellingen te hebben.

Overtuigingen:

  • Het is goed voor kinderen van 0 tot 6 jaar dat hen verteld wordt wat zij moeten en mogen doen.
  • Duidelijke instructies geven kinderen rust en veiligheid.
  • Jonge kinderen leren door gedrag te kopiëren.
  • Tot 6 jaar willen kinderen nabootsen, dit hoort bij de ontwikkeling. Vanaf 3 jaar wil het zelf gaan bepalen. Op die leeftijd blijft het nodig om kinderen te vertellen wat ze mogen doen, zodat ze kunnen spelen met het vermogen zelf te bepalen. Vanaf ongeveer 6 jaar gaan kinderen navolgen in plaats van nabootsen, vanaf dan is een andere manier van aanspreken gewenst.
  • Kinderen van deze leeftijd ervaren het leven via hun lijf. Ze denken als het ware met hun handen, niet met hun hoofd. Ze denken nog niet zozeer, ze doen.
  • In de situatie waarin ik het kind aanspreek ben ik de autoriteit. Doordat ik de autoriteit ben willen de kinderen naar me luisteren. Ik ben de autoriteit dus nemen ze me serieus, horen ze me, zien ze me en luisteren ze naar me. Het kind gaat als een magneet mee in die energie, het kan niet anders. Kinderen vinden het fijn om richting te krijgen. Ze voelen ze zich veilig wanneer ik ze vertel wat ze mogen doen.

Metaprogramma’s die bij deze techniek zeer sterk aan staan zijn:

  • Interne referentie (georiënteerd zijn op wat ik belangrijk vind)
  • Voldoet wel (kijken naar wat er allemaal goed gaat)
  • Controle binnen zelf (kijken naar eigen aandeel)
  • Heden (gericht op het hier en nu)

Invulling van de stappen

Stap 1: Bedenk wat je wilt dat het kind doet
Het doel van deze stap is dat je bedenkt wat je precies wilt dat het kind doet en dat jij je voorstelt hoe jij het kind vertelt wat hij gaat doen. Doe dit door je voor te stellen hoe het kind de actie uitvoert die jij gevraagd hebt. Door het je voor te stellen check je tegelijk of de actie goed uitvoerbaar is.

Neem voor het leren van dit vermogen een concrete situatie in gedachten.

  • Bedenk wat je wilt dat het kind doet. Situaties verschillen, dus bedenk van te voren hoe de situatie zou kunnen lopen. Wat wil ik dat hij doet? Wat en hoe precies?
  • Bedenk hoe je het kind gaat vertellen wat hij moet doen.
  • Zie het voor je hoe het kind de actie uitvoert. Dit kan een herinnering zijn of je kunt het je inbeelden hoe het zou zijn (geconstrueerd beeld).
  • Maak in je hoofd een film waarin je het kind de activiteit ziet doen die jij hem vraagt. Zie, hoor en ervaar hoe je tegen het kind zegt wat je van hem wilt en zie het kind dat daarna uitvoeren.

Als voorbeeld voor de techniek nemen we het aantrekken van de jas.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt
“Ik zie het beeld op 3 meter afstand, iets rechtsboven ooghoogte. Ik zie het als een film, bewegende beelden en in kleur. Ik ben me bewust van wat ik wil. Ik zie en hoor mezelf zeggen wat ik ga zeggen, welke bewegingen ik maak. Ik zie waar de jas is. Ik zie waar het kind is wanneer ik het aanspreek. Ik zie hem op ware grootte. Ik zie dat het kind naar zijn jas loopt, en ik zie het moment dat hij zijn jas pakt.”

Bij deze stap check je als het ware of het kind de actie kan uitvoeren. De expert vraagt bijvoorbeeld alleen aan het kind wat zij en het kind kunnen zien. Als het voorwerp of de plek van de actie uit het zicht is, vraagt ze het alleen wanneer ze weet dat het kind het al kan. Dit kan bijvoorbeeld als de jas altijd op dezelfde plek op de gang aan de kapstop hangt en het kind hem al vaker heeft gepakt en aangetrokken. Metaprogramma’s die bij stap 1 actief zijn: reactief, interne referentie.

Stap 2: Bereid jezelf voor
Het doel van deze stap is jezelf voorbereiden. Breng jezelf in het hier en nu. Focus op je verzoek en maak jezelf klaar voor actie.

  • Focus je op het hier en nu. Breng jezelf bijvoorbeeld in de BRON-toestand of COACH-state.
  • Zorg dat je zelf klaar bent om te doen wat jij zelf zegt te gaan doen. Wanneer jullie bijvoorbeeld gaan eten is het belangrijk bij deze stap om de tafel te dekken en alles klaar te zetten. Bereid jezelf voor.

Suggesties om in het hier en nu te komen:

  • Voel hoe je voeten de grond aanraken.
  • Centreer jezelf door zachtjes heen en weer te bewegen, van links naar rechts, van voren naar achteren.
  • Haal een paar keer bewust adem. Voel hoe de lucht door je neus naar binnenstroomt en je longen vult.
  • Focus op het nu.
  • Hoor wat er te horen valt. Zie wat er om je heen is.
  • Concentreer je op wat je verzoek is.
  • Herhaal in gedachten de volgende vooronderstelling: Ik ben de autoriteit. Doordat ik de autoriteit ben willen de kinderen naar me luisteren. Ik ben de autoriteit dus nemen ze me serieus, horen ze me, zien ze me en luisteren ze naar me. Het kind gaat als een magneet mee in die energie, het kan niet anders. Kinderen vinden het fijn om richting te krijgen. Ze voelen ze zich veilig wanneer ik ze vertel wat ze mogen doen.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt
“Ik sta stevig op de grond. Ik voel hoe mijn tenen en hielen de grond raken. Bij elke beweging van links naar rechts sta ik steviger. Ik volg mijn adem en merk op hoe die gaat. Ik stel me voor dat de adem via mijn neus binnenstroomt, en warmte meeneemt naar mijn centerpoint. Daarna stroomt de adem door via mijn benen, voeten, naar de grond. Het maakt ruimte in mijn buik, mijn buik ontspant zich. Ik voel mijn hartslag. Ik blijf rustig staan, ervaar het. Ik merk op hoe mijn omgeving eruit ziet. Ik hoor de geluiden en ben me scherper bewust van de kleuren. Ik weet wat mijn verzoek is. Ik weet hoe ik het ga brengen. Ik weet hoe het kind gaat reageren en ik ben er zeker van dat hij gaat doen wat ik vraag. Ik pak mijn tas in en zet alles klaar zodat we straks kunnen vertrekken. Ik ben er klaar voor en voel me rustig.”

Stap 3: Maak contact met het kind
Doel van deze stap is om contact te maken met het kind.

  • Maak contact met het kind en maak oogcontact. Dit kun je op verscheidene manieren doen. Je kunt bijvoorbeeld naar het kind toe gaan en zijn naam noemen, of je roept hem bij je. Een andere manier is om zijn naam te noemen en hem bijvoorbeeld even op zijn arm aan te raken. Je kijkt hem daarbij aan. Het beste werkt het als je ongeveer op ooghoogte met het kind bent.

Overtuigingen
Als een kind je aankijkt dan weet je dat hij luistert. Je kunt aan zijn blik zien of hij zijn aandacht bij jou heeft of niet.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt
“Ik voel mijn voeten op de grond staan. Ik voel me in het nu. Ik loop naar mijn zoon toe. Ik buig mijn knieën, ik kom op ooghoogte met hem. Ik zie dat hij me aankijkt, daardoor weet ik dat ik zijn aandacht heb en dat hij luistert. Mijn aandacht is bij het kind en wat ik zeg. Ik ben gefocust en voel rust. Ik buig lichtjes naar het kind toe.”

Stap 4: Vertel het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet
Doel van deze stap is dat je het kind vertelt wat hij gaat doen. Je vertelt het kind wat hij gaat doen alsof hij het al doet. Je stelt het als een feit.
Voor het overbrengen van dit vermogen wordt in deze stap het vermogen om het verzoek te doen opgesplitst in twee delen. Tijdens de uitvoering vinden deze twee delen gelijktijdig plaats.
Vermogen (Het kind aanspreken) = Verbaal (auditief) + non-verbaal (kinesthetisch en visueel).

Een overtuiging die specifiek bij deze stap van belang is:

  • Je gaat ervan uit dat kinderen aangestuurd willen worden. Ze vinden het fijn als jij ze vertelt wat ze mogen doen.

Verbale techniek:
Doel van deze stap is dat je verbaal zegt wat het kind moet doen, net alsof hij het al doet.

Je vertelt wat het kind gaat doet, in tegenwoordige tijd. Je zegt wat hij moet doen, net alsof hij het al doet. Net alsof je de toekomst voorspelt. Alsof je de actie vertaalt voor het kind, de actie woorden geeft. Je kunt het zien als het voorlezen van de handleiding van een nieuw spel (voorbeeld: de spelers gooien om de beurt met de dobbelsteen).

  • Zeg wat jij wilt dat het kind doet: ‘Jij trekt je jas aan.’

Intonatie:
Nadruk op ‘jij’ en op ‘jas’. In algemene termen leg je de nadruk op het onderwerp van de zin (wie) en daarna de actie (wat). De meeste nadruk ligt op het woord ‘jij’. Toon is laag, een mededelingentoon. Bij de woorden met nadruk is de toon iets lager dan bij de andere woorden. Deze woorden spreek je uit op één toon, dat wil zeggen dat je tijdens het woord uitspreken de toon niet verlaagt of verhoogt (‘jas’ en niet ‘ja-ás’).  Eindig de zin met een toon naar beneden, dat maakt de zin stellend. (Wanneer je aan het eind van de zin omhoog gaat met je toon wordt het een vraag, en dat is juist niet de bedoeling). Praat iets langzamer dan gewoonlijk en articuleer duidelijk. Je gebruikt je normale stemvolume.
Bij een langere zin: ‘Jij trekt je jas aan, terwijl ik de tas inpak.’
Door het verzoek te stellen als een feit, spreek je het lijf van het kind aan, en niet hun hoofd.

Het non-verbale vermogen (kinesthetisch en visueel)

Gebaren:
Aan het begin van de zin wijs je met hand, handpalm naar boven gericht (open) naar het kind. De vingers van je hand zijn bij elkaar, gesloten. Bij het uitspreken van het woord ‘jij’ knik je naar het kind, als nadruk, met een vleugje van een glimlach op je gezicht. Bij het woord ‘jas’ wijs je met open hand, palm naar boven, naar de jas en kijk je er ook naar. Daarna kijk je terug naar het kind en kijkt het weer in de ogen. Bij het woord ‘ik’ wijs je naar jezelf, met geopende hand, palm schuin naar boven, vingertoppen omhoog gericht, jouw pink of ringvinger raakt je borstbeen. Daarna wijs je naar de plaats waar je de actie gaat doen, de tas inpakken. Daarna kijk je het kind weer aan. Je hand gaat terug naar een neutrale plaats, je laat hem rusten.

De houding van de hand is belangrijk. Door de handpalm naar boven te richten is het een uitnodigend gebaar. Dit in tegenstelling tot de handpalm naar beneden, dat meer overeenkomt met iets opleggen. Gebruik de hele hand om te wijzen, dat voorkomt een belerend vingertje.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt (verbaal & non-verbaal)
“Ik sta stevig op de grond. Ik weet wat ik ga doen en ik weet wat hij gaat doen. Ik voel het weten in mijn borst, het voelt rustig, zwaar. Ik zie mijn zoon scherp, de omgeving vervaagt. De tijd staat stil. Net alsof we met z’n tweeën in een cocon zitten. Aandacht vast bij elkaar. De energie gaat van mijn lichaam naar de zijne en weer terug. Ik voel warmte uit mijn lichaam naar hem stromen, vanuit mijn borst naar hem toe. Het licht hem op en in zijn ogen zie ik zijn aandacht. Ik voel de stelligheid opkomen vanuit mijn buik, het vloeit over in mijn handgebaar. Ik open mijn hand van onder naar boven wanneer ik met mijn hand naar hem wijs. Het voelt liefdevol en uitnodigend. Ik zeg: ‘Jij trekt je jas aan, terwijl ik de tas inpak’.  De zin klinkt melodieus en ritmisch, met cadans. De woorden komen duidelijk en staccato in een vloeiend ritme mijn keel uit. Ik heb het idee dat ik de opdracht vertaal voor hem. Ik haal met nadruk de essentie eruit. Bij het uitspreken van het woord ‘ik’ centreer ik me en wijs ik naar mezelf. Met mijn handgebaren markeer ik de plekken. Ik ervaar controle. Mijn adem is rustig, mijn lichaam ontspannen en zwaar. Ik weet dat ik de richting bepaal, ik bepaal het doel.”

Voor het leren van dit vermogen is het handig om deze stap een aantal keer te oefenen. Voeg het verbale deel en het non-verbale deel van deze techniek samen en doe het een paar keer. Stel je de situatie voor en geef de opdracht. Spreek hierbij de woorden hardop uit en maak de gebaren erbij.

Stap 5 Check of het kind jouw opdracht begrepen heeft
Het doel van deze stap is checken dat het kind de opdracht begrepen heeft.
Je wacht op bevestiging van het kind dat hij weet wat hij moet doen.

  • Nadat je de opdracht gegeven hebt kijk je het kind weer aan.
  • Buig een fractie met je hoofd naar voren richting het kind.
  • Je trekt je wenkbrauwen licht omhoog. Door je wenkbrauwen omhoog te doen worden je ogen iets meer geopend. Je maakt een vragend gezicht.
  • Je knikt een keer kort met je hoofd. Non-verbaal vraag je of hij je begrepen heeft, of hij weet wat hij moet doen.
  • Hierna wacht je (7 seconden) tot het kind bevestiging geeft dat hij je gehoord heeft. Dit kan zijn in de vorm van een knikje, een antwoord zoals ‘ja’, en lach of ‘okee’. Bij jonge kinderen kan het voldoende zijn dat de oogleden van kind sluiten en weer openen (zolang het kind met zijn aandacht bij jou is zal het nauwelijks knipperen). Belangrijk is hierbij het hoofd rechtop te houden, eventueel een fractie schuin opzij. Let erop dat je niet onder je wenkbrauwen door kijkt, want dat komt dreigend over.
  • Na de reactie centreer je jezelf, komt je hoofd terug in zijn normale positie.
  • Je zegt ‘goed / oké / afgesproken’. Dit op lage toon, voelend laag in je borst, als afronding op de vraag.

Overtuigingen:
Het kind doet na, dus als jij je ogen vragend open doet, doet het kind het ook. De aandacht is wederzijds. Als de opdracht aankomt, dan zakt deze als het ware van het hoofd naar het lichaam. Het knipperen van de oogleden kan daarom gezien worden als teken dat het is aangekomen. Wanneer het kind de opdracht niet begrijpt zal hij jou met grote ogen blijven aankijken.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt
“Ik kijk hem op een vragende manier aan, met een lichte glimlach. Ik weet dat ik hem even de tijd moet geven en dat doe ik graag. Ik blijf met mijn aandacht bij hem. Na een paar seconden zie ik dat de boodschap aankomt, hij knikt bevestigend. Ik denk bij mezelf ‘mooi!’. Hij heeft de stipjes verbonden, ziet het spoor van blokjes. Ik knik naar hem en zeg ‘mooi’.”

Stap 6: Actie starten en kind complimenteren
Doel van deze stap is de activiteit te starten en daarna het kind bevestigen dat het de opdracht goed heeft uitgevoerd.

  • Je geeft met je hand de richting aan waar het kind heen gaat. Het is een bewegend gebaar, met open hand, palm naar boven. Je markeert het begin van de actie. Je geeft toestemming om te beginnen.
  • Doe zelf wat je gezegd hebt dat je gaat doen. In het voorbeeld van ‘Jij trekt je jas aan, terwijl ik de tas inpak’ sta je op en ga je de tas inpakken.
  • Nadat het kind de actie heeft uitgevoerd kijk je hem aan, glimlach je, knik je bevestigend eenmaal, zeg je op lage toon ‘fijn’. Het woord ‘fijn’ uitgesproken op één toon, als mededeling. Hierna zijn jullie klaar voor een volgende actie.

Zintuiglijk specifiek voorbeeld van iemand die deze techniek gebruikt
“Ik begeleid het kind met mijn hand. Het voelt sturend, als een aanmoediging naar het kind om te beginnen. Ik geef het kind met dit gebaar een zetje mee. Daarna ga ik zelf ook aan de gang, ik let op waar de tas is die ik inpak. Ik voel rust en ben met mijn aandacht bij wat ik doe. Ik weet dat achter mijn rug hij zijn jas aantrekt. Wanneer ik me omdraai zie ik dat hij naast me staat met zijn jas aan. Ik merk dat ik glimlach. Ik kijk hem aan en zeg ‘fijn’. Ik zie dat hij staat te wachten op wat we nu gaan doen. Let’s go!”

Commentaar
De techniek voelt onwennig in het begin. Het kost een paar keer oefenen voordat je het gevoel, de gebaren en het uitspreken van de opdracht goed bij elkaar hebt.
De techniek is nu uitgebreid beschreven. Voor een verkorte versie zou kunnen worden volstaan met stap 4 (Vertel het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet) en stap 5 (Check of het kind je opdracht begrepen heeft). De andere stappen zijn belangrijk, maar hoeven niet perse op deze manier uitgevoerd te worden om de techniek Jonge kinderen aansturen goed te kunnen uitvoeren.
Voor deze modelleeropdracht heb ik één expert gemodelleerd. Modelleren van meerdere experts zou meer inzicht geven en wellicht de essentie nog scherper kunnen maken.

De belangrijkste stap
Voor mij is de belangrijkste stap stap 4, het vertellen van het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet. Deze stap in combinatie met de vooronderstellingen dat kinderen het nodig hebben en fijn vinden om aangestuurd te worden maakte voor mij het meeste verschil. Het was voor mij ook een eyeopener dat de expert gedurende deze techniek zeer sterk intern gerefereerd is. Het maakt met deze insteek niet uit hoe het kind in zijn vel zit, zolang ik ervan overtuigd ben dat hij mijn opdracht uitvoert dan gebeurt dat ook.

De relatie tussen de stappen
Stap 1, 2 en 3 zijn de voorbereiding voor stap 4, de opdracht geven. Stap 1 en 2 zouden bij het gebruiken van deze techniek ook omgedraaid kunnen worden. De eerste drie stappen maken het mogelijk om stap 4 goed te kunnen uitvoeren. Stap 5 en 6 zijn belangrijk om de impact van stap 4 te consolideren. Deze stappen zorgen voor een goede uitvoering en maken de techniek een geheel. Stap 1 (Bedenk wat je wilt dat het kind doet) kun je ook kunnen uitdiepen tot een aparte techniek. Stap 1 werkt het beste als deze is ingebed in een planning. Een planning hebben geeft ook meer ruimte om in het hier en nu te zijn (stap 2).

Lijst van relaties tussen de stappen:
Stap 1 (Bedenk wat je wilt dat het kind doet): Specifieke voorbereiding. Creëer de inhoud van je verzoek
Stap 2 (Bereid jezelf voor): Dit is fysieke voorbereiding voor stap 3 en 4. Je brengt jezelf in een staat van ontspanning en focus op de omgeving, in het hier en nu, en je bereid je omgeving voor door alles klaar te maken voor de actie.
Stap 3 (Maak contact met het kind): Dit is het begin van de actie, het begin van stap 4. Hij staat beschreven als aparte stap omdat deze stap op verschillende manieren uitgevoerd kan worden zonder de inhoud van de techniek aan te tasten. Hij kan echter ook als onderdeel van stap 4 gezien worden.
Stap 4 (Vertel het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet): Dit is de meest essentiële stap. Deze stap heeft 2 onderdelen die beide gezien kunnen worden als een aparte techniek, maar ze dienen gelijktijdig te worden uitgevoerd. Voor het aanleren van deze techniek kunnen ze apart geoefend worden.
Stap 5 (Check of het kind je opdracht begrepen heeft): is de afronding van stap 4.
Stap 6 (Actie starten en kind complimenteren): Dit is de afrondende stap van de techniek. Je start de concrete uitvoering van de opdracht en rondt hem daarna af.

Hindernissen
Als doelgroep neem ik mensen die gewend zijn om te gaan met jonge kinderen. Bij die doelgroep verwacht ik de volgende hindernissen tegen te kunnen komen. De hindernissen worden per stap beschreven.

Stap 1(Bedenk wat je wilt dat het kind doet):

Probleem: Het lukt niet om precies te bedenken wat je van het kind verwacht.
Oplossing: Het helpt om een planning te maken, waarbij je de stappen in detail bedenkt alsof je handleiding schrijft. Of je kunt de Disney strategie toepassen als daar tijd voor is.

Probleem: Bij het oproepen van het beeld lukt het niet een beeld op te roepen waarin je ziet dat je het verzoek op zo’n manier doet dat het kind de actie uitvoert.
Oplossing: Bij het aanleren van de techniek kan het helpen om eerst de rest van de stappen te doorlopen. Daarin leer je de techniek en ervaar je de stappen fysiek. Doorloop alle stappen daarna nogmaals en merk hoe het nu makkelijker gaat om het je voor te stellen hoe je het verzoek doet en hoe het wordt uitgevoerd.

Probleem: Er zijn gedachten die het beeld met een goede uitvoering blokkeren.
Oplossing: Check de vooronderstellingen en of je het daarmee eens bent. Wanneer niet; onderzoek dan welke overtuiging hieraan ten grondslag ligt en verander die (bijvoorbeeld door change personal history, submodaliteiten veranderen, hoefijzer)

Stap 2 (Bereid je zelf voor):

Probleem: Je bent met je gedachten bezig met de toekomst of het verleden.
Oplossing: Focus je op het nu. Laat het verleden en de toekomst los en richt je op wat er nu is. Jij en het kind.

Stap 3 (Maak contact met het kind):

Probleem: Het kind reageert niet wanneer je het aanspreekt.
Oplossing: Loop naar het kind toe en maak opnieuw contact. Bij kinderen komt het regelmatig voor dat ze zo verwikkeld zijn in hun spel dat ze alleen daarop gefocust zijn. Ze letten dan niet op de omgeving. Als je bijvoorbeeld vanuit de keuken roept dat hij aan tafel moet komen dan kan het zijn dat het niet bij het kind binnenkomt dat je het tegen hem hebt en dat hij moet reageren.

Stap 4 (Vertel het kind wat hij gaat doen, net alsof hij het al doet):

Probleem: De zin is niet stellend en wordt niet uitgesproken alsof het kind de actie al uitvoert.
Hier kunnen een aantal valkuilen aan ten grondslag liggen, zoals:

Valkuil: De zin eindigen met een toon omhoog. Hierdoor wordt het een vraag en gaat het kind nadenken of hij het wel wil uitvoeren.
Oplossing: De zin eindigen met een lage toon. Dan wordt het een stellende zin.

Valkuil: Zinnen langer maken. Als voorbeeld: Je zegt: ‘Ik wil dat je je jas aandoet.’ De zin is onnodig lang, en het kind kan gaan nadenken wat het ook allemaal wil.
Oplossing: Maak de zin kort en bondig, en zeg hem wat hij doet ‘jij doet je jas aan.’

Valkuil: Het woord ‘moeten’ gebruiken. Voorbeeld: ‘Jij moet je jas aantrekken.’ Hierbij kan het kind zich gedwongen voelen en daardoor minder goed meewerken.
Oplossing: Haal het woord ‘moet’ weg en verkort de zin. ‘Jij trekt je jas aan.’

Valkuil: Een vraag stellen. ‘Zou je je jas aan willen trekken, alsjeblieft?’ Bij een vraag gaat het kind nadenken, en komt hij in de nadenkmodus, in plaats van in de actiemodus.
Oplossing: Maak er een stellende zin van. ‘Jij trekt nu je jas aan.’

Valkuil: Argumenten geven. ‘Jij trekt je jas aan, want we gaan zo naar buiten en het is koud…’ Dit leidt het kind af van het eigenlijke verzoek. Je zou kunnen merken dat het kind dan ingaat op het laatste wat je in die zin gezegd hebt (‘Maar het is helemaal niet koud!’). Bij jonge kinderen is uitleg niet nodig, werkt eerder verwarrend.
Oplossing: Geef alleen je verzoek.

Probleem: het kind gaat huilen wanneer je zegt wat hij moet doen. Mogelijk kijk je te streng of buig je dreigend naar hem toe, zodat het kind denkt dat hij wat fout heeft gedaan.
Oplossing: ga door je knieën en breng jezelf op ooghoogte met het kind. Houd je hoofd iets meer rechtop en breng je mondhoeken licht omhoog, als een beginnende glimlach. Door op ooghoogte te komen met het kind kom je vriendelijk maar toch vastberaden over.

Stap 5 (Check of het kind jouw opdracht begrepen heeft):

Probleem: Het kind kijkt weg, laat zich vallen op de grond of geeft anderszins verzet.
Oplossing: Wees geduldig, blijf bij je verzoek en blijf het kind aankijken. Het kan zijn dat bij de eerste keren toepassen van deze techniek het kind moet wennen aan de nieuwe vorm van aanspreken. Hierbij helpt om te bedenken dat kinderen graag weten waar ze aan toe zijn. Wees dus consequent en blijf het kind op deze manier aanspreken. De aanhouder wint.

Probleem: Het kind reageert niet meteen nadat je aan hem verteld hebt wat hij gaat doen.
Oplossing: Wacht 7 seconden. Bij kinderen moet de boodschap even zakken, die tijd hebben ze nodig om te verwerken wat er gevraagd wordt.

Stap 6 (Actie starten en kind complimenteren):
Probleem: Het kind blijft staan, of hij gaat door met waar bij eerder mee bezig was.
Oplossing: Leef het voor. Doe wat je wilt dat het kind doet. Wanneer jullie naar buiten gaan, zeg je ‘We gaan,’ je staat op en je loopt voorop naar buiten. Wacht niet op het kind, jij als autoriteit geeft het voorbeeld. Kinderen volgen.

Probleem: Het kind draalt en voert de opdracht niet uit.
Oplossing: Ga na of het kind de opdracht überhaupt wel kan uitvoeren. Je mag verwachten dat als het kind zijn jas al 30 keer zelfstandig heeft aangetrokken dat hij het dan kan. De eerste 10 (en soms 30 of 50 keer) doe je het samen met hem. Zeg wat het kind moet doen en doe het zelf ook. ‘Jij trekt je jas aan.’ Kijk hem aan, geef hem zijn jas, pak je eigen jas en trek hem aan. Voordoen is voorleven.

Tips & trics
Bij meerdere kinderen kijk en wijs je elk kind apart aan bij het aanspreken. ‘Jullie doen je jas aan…’
Hoe korter de zin, hoe duidelijker.

Bij heel jonge kinderen, 0 – 2 jaar kun je deze techniek ook gebruiken, met als toevoeging dat je hier altijd zegt wat je doet, en doet wat je zegt. ‘We eten met een lepel’ en je begint te eten. Ook hier geldt: voordoen is voorleven. Kinderen leren niet door te luisteren naar ons, ze leren door te kijken wat wij doen. En dat doen zij ook.

 

 

 

0

Over de auteur:

Posting is geen auteur. Dit is iemand van het IEP secretariaat die een artikel in de bibliotheek heeft geplaatst. De auteur is degene die bij het artikel staat aangegegeven. Wilt u ook een artikel in de IEP bibliotheek plaatsen? Stuur dan een mailtje naar mail@iepdoc.nl.

  Artikelen die hiermee samenhangen

Voeg een Commentaar