Menu 

Jasmijn

Artikel: Jasmijn

Auteur: Tinka ten Klooster

Beschrijving: 1998. “Er was eens een achtjarig meisje dat Jasmijn heette. Net als haar klasgenootjes zou ze binnenkort een spreekbeurt houden voor de groep. Maar waarover wist zij nog niet. “Kies iets uit waar je graag meer over wilt weten” had de juf gezegd”.

 

===================

 

Augustus 1996. Een willekeurig vakantiehuisje aan de kust in Noord-Holland. Mijn nichtjes van vijf en zeven jaar slapen. Ik lig op mijn rug op de bank, met het dikke blauwe boek Essenties van NLP in mijn schoot. Het is te zwaar om het met n hand boven mijn hoofd te houden, wat mijn favoriete leeshouding is. De uil op de kalenderplaat van oktober ’94 kijkt mij vanavond extra doordringend aan. Als ik goed kijk, lijkt het zelfs bijna bestraffend. Het woord REPRESENTATIE komt mij ineens helder voor ogen. Terwijl de regen langs het raam stroomt, pak ik pen en papier.

Mijn beeld van NLP zoals zich dat tot nu toe heeft gevormd, doet me denken aan het wel en wee van een circusvoorstelling. Nu eens spannend, dan weer grappig, maar bovenal boeiend. Het circus zie ik als leerschool van de verschillende technieken, vaardigheden en de grondhouding van NLP. Vandaar dit verhaal.

Er was eens een achtjarig meisje dat Jasmijn heette. Net als haar klasgenootjes zou ze binnenkort een spreekbeurt houden voor de groep. Maar waarover wist zij nog niet. “Kies iets uit waar je graag meer over wilt weten” had de juf gezegd. Maar ja, zo eenvoudig was dat niet. Jasmijn dacht na over honden – misschien kon ze dan de hond van Oma wel meenemen naar school -, over poezen, paarden en zelfs over woestijnratjes. Haar broer deed echter spottend over die onderwerpen. Beter kon ze, vond hij, over iets nuttigs praten als het milieu of computers. Nou, dat leek haar niets, maar een spreekbeurt over honden of zo, was toch niet wat ze echt wilde. Maar wat dan wel?

Op een dag, ze fietste er bijna voorbij, zag ze een aanplakbiljet met de afbeelding van een rennende neushoorn met op zijn rug een tijger en een man. Er zou een circus komen! Misschien was dat wel een leuk onderwerp voor haar spreekbeurt: het circus. Dan kon ze vertellen over de verschillende soorten dieren, en over wat mensen met dieren in het circus doen. En hoe ze dat kunnen. Op 18 september kwam het circus, las ze op de poster. Maar ze wist eigenlijk niet wanneer dat was. Haar vader wel.

En zo kwam het dat ze op een zonnige zaterdagmiddag met haar vader naar het circus ging. Daar zaten ze dan in de grote blauw- witte tent. Een dwerg had hun een plek gewezen zodat ze alles heel goed zouden zien. Toen de tent vol was, begon er muziek te spelen, werd er rook de tent in geblazen en werd het licht gedempt. De rook kriebelde in haar neus, en toen er ook nog trommels werden bespeeld, voelde ze dat helemaal in haar buik. Ze greep haar vaders hand beet. De vloer trilde, en ze wist door de rook niet zeker of ze het goed zag, maar het leek wel alsof er een paard de piste in kwam gevlogen. De berijder liet het witte briesende paard met lange manen door de piste heen en weer stormen en allerlei speciale sprongen doen. Het leek wel een sprookje.

Poedeltjes die een clown voor de gek hielden, een vuurvreetster, wel zeven kamelen, allerlei trapezewerkers en zelfs een tijger op een rennende neushoorn. Net zoals op het aanplakbiljet. De acts volgden elkaar in een rap tempo op. Indrukwekkend, maar ook wel een beetje verwarrend, vond Jasmijn. Het was allemaal zo veel! Gelukkig was het pauze. Even rust. Haar vader kocht een reuze- suikerspin voor haar. Ze liepen even rond de circustent en … ooh. Daar zag ze een paard met veulen staan. Ze huppelde erheen om ze te aaien. Terwijl ze daardoor volledig in beslag werd genomen, hoorde ze ineens een onbekende stem naast zich, “Lief he?” Ze glunderde, “Zijn de andere dieren ook zo?” vroeg ze verlegen. Hij lachte,” Kom na de voorstelling hier maar heen, dan mag je zelf oordelen.”

 

De wijze man

Sinds wanneer de man bij het circus was, wist niemand. En ook zijn functie erbinnen was lang onduidelijk. Het verhaal ging dat hij zich op een dag gewoon had aangesloten bij het gezelschap, en blijkbaar nooit meer was weggegaan. Hij was niet lenig, en ook had hij niet het vermogen dieren te laten rennen, springen of kunstjes te leren. En administratieve klusjes zoals kaartjes verkopen bij de ingang, of de financin doen, gingen nooit lang goed. Soms, net op het moment dat men dacht dat hij zijn plek had gevonden, kreeg hij onenigheid met een bezoeker over het al dan niet betaald hebben voor een kaartje, of liet hij de slang weer ontsnappen.

Toch werd na verloop van tijd duidelijk dat hij wel degelijk een speciale betekenis had voor de mensen van het circus. Op de n of andere manier zorgde hij ervoor dat ze zich meer bewust werden. Bewuster van zichzelf, hun uitstraling op het publiek, op hun maatjes, en zelfs naar hun dieren toe. Ook werden ze zich bewust van hun eigen onbeperkte mogelijkheden. En dat bewustzijn maakte hun sterker. Eerst schuchter, maar later overtuigd door het resultaat, zochten zij hem steeds vaker op.

Net als zijn herkomst, was zijn methode mysterieus. Zelf zei hij dat hij gewoon goed keek en goed luisterde. En inderdaad, bij de voorstellingen en trainingen die hij bezocht, keek hij naar wat hij zag gebeuren en luisterde hij naar wat hij hoorde, maar ook naar wat hij nit hoorde. Zag hij bijvoorbeeld een onbekende trek bij de acrobaat, dan klopte hij die dag nog aan zijn woonwagen. Of als de oude clown met een andere intonatie schreeuwde naar de kinderen die hij in de piste had uitgenodigd, spraken ze daarna met elkaar. De man oordeelde niet, maar begon vaak met een opmerking als: “Het viel me op dat …” Hij adviseerde de clown niet te stoppen met werken, maar liet hem zijn eigen conclusie trekken.

Ongemerkt bewerkstelligde hij doorbraken in allerlei vaste patronen binnen het circus. Met de vraag “Wat houdt je tegen?” ging een jongen van de clownsfamilie uiteindelijk achter zijn droom aan, het werken aan de trapeze. Hetzelfde gold voor vragen als “Wat probeer je te vermijden?”, “Wat zeg je tegen jezelf als …?”, “Wat levert het je op?”, en “Wat zegt dit over jou?”. Altijd dezelfde soort vragen, altijd dezelfde heilzame werking. Soms werkten ze nog verder met gedeelten, strategien en hulpbronnen. Vreemde woorden vonden ze dat, voor wel hele nuttige oefeningen. Dus trokken ze zich van die woorden maar niets aan.

Alhoewel de man het ontkende, gingen de circusbewoners er op den duur vanuit dat hij gedachten kon lezen. De wijze man noemden ze hem daarom ook wel. Voor de circusbewoners niet altijd even prettig, maar wel handig. Zo ook voor het jonge meisje dat in haar houding een gezonde nieuwsgierigheid naar het circus had. Na afloop van de voorstelling zou hij haar bij het paard met veulen weer treffen.

 

De spreekbeurt

Na de voorstelling liepen ze met zijn drien langs de dieren; de wijze man, Jasmijn en haar vader. De man vertelde ondertussen van alles over het dier waar ze bij stonden. Waar het vandaan kwam, hoe oud het was en hoe het het liefste geaaid werd. “Hoe weet u dat eigenlijk allemaal?” vroeg het meisje, “Hebben ze u dat verteld of zo?” De man lachte, “Wat maakt dat jij dat allemaal wilt weten?” En toen kwam ze met het verhaal over haar spreekbeurt, en dat ze graag wilde vertellen over iets wat ze echt heel leuk vond, en dat ze het nu wist. Ze zou het over het circus doen.

Jasmijn vroeg zich af wanneer ze genoeg zou weten voor haar spreekbeurt, maar dat wist ze niet. Aangemoedigd door zijn uitnodigende manier van vertellen, bleef ze daarom vragen en luisteren tot er werkelijk niets meer in haar hoofd paste. En dat zag de wijze man natuurlijk. “Je hebt veel gehoord h?”, vroeg hij. Een onuitgesproken `maar’ hing echter in de lucht. “Leren is meer dan dingen weten, leren is ook zelf meedoen, het ondergaan.” Jasmijn was teleurgesteld. “Dus ik kan geen spreekbeurt houden over het circus?”. Na een blik van verstandhouding met haar vader antwoordde de wijze man, dat dat natuurlijk wel kon, maar dat haar spreekbeurt vast ng beter zou worden als zij een dagje in het circus zou meedraaien. “Wat denk je van morgen?”. Het uiteindelijke antwoord was overbodig.

 

Ondergaan

In haar trainingspak stond ze de volgende morgen vroeg bij het circus. De wijze man nam haar mee de tent in. Middenin de piste stond een hele lange tafel. Iedereen die ze de dag ervoor tijdens de voorstelling met kamelen, olifanten, poedels, of aan de trapeze had bezig gezien, zat nu heel gewoon te ontbijten. Nou ja, gewoon … Het was een gekakel van jewelste. En terwijl de volwassenen enorme hoeveelheden eten wegwerkten, oefenden de jongeren koprollen naast de tafel. Het leek een hele grote familie, maar wel een wat vreemde.

“Zo, waar kwam je ook al weer voor?” vroeg de wijze man. Dat vond Jasmijn maar een rare vraag, want ze zag aan hem dat hij dat best wist. Toen hij ook nog vroeg of ze de boel kwam schoonmaken, riep ze dat ze natuurlijk voor haar spreekbeurt kwam. “Maar waar gaat die dan precies over, en voor wie houdt je die dan, en ., en .?” Na wat heen en weer gepraat werd duidelijk wat ze daarvoor deze dag kon doen. Alles ondergaan, zoals hij dat noemde, zou natuurlijk veel te veel zijn voor n dag. Daarom spraken ze af wat te klussen, bij verschillende trainingen te kijken en daar vragen te stellen, en n act ook echt zelf te leren. Of dat lukte zou blijken als ze die eind van de dag aan haar vader toonde.

En met dat klussen begon het. Maar een klusje bij het circus is wel even heel wat anders dan thuis de borden op het aanrecht zetten, of sokken in de wasmand gooien. Ze begon te helpen met de dieren te voederen. Best ingewikkeld, want bijna ieder dier kreeg iets anders te eten, of weer een andere hoeveelheid. “Het is hier net een duur restaurant”, grapte de verzorger, “ieder krijgt precies wat ie nodig heeft.” Daar leek het inderdaad op, telkens weer het voer uitzoeken, afwegen en het naar het dier brengen. Ze versleepte balen hooi en stro, emmers met bix en granen, bakken vlees en onherkenbare andere brokken. Maar de dieren hadden het nodig, en daar ging het om.

Terwijl ze naar allerlei oefeningen keken, vertelde de wijze man nog over bepaalde ideen in het circus. Ondermeer dat fouten niet bestaan, maar je wel kunt leren. En dat als een ander iets kan, jij het kunt leren. Zo bestudeerde Jasmijn de clowns. Ze zag hoe zij door houdingen, bewegingen en gebaren van anderen na te doen, en deze te overdrijven, de lachers op hun hand kregen. En ze zag hoe de geitjes leerden over de liggende kamelen te springen. De acrobaten wilden Jasmijn graag hoog door de lucht laten vliegen, maar dat was nog een beetje hoog gegrepen, vond de wijze man. Alles op zijn tijd.

De hele gewone mannen en vrouwen van de ontbijttafel veranderden tijdens de acts. Zoals bij de meeste trainingen, zag ze dat ook bij de dompteur en de tijger. Zodra hij de kooi instapte, zag hij er ineens anders uit, groter, sterker en strenger. Zo’n leraar waarbij je het wel uit je hoofd laat om flauwe geintjes uit te halen.

Toen ze zachtjes aan de wijze man vertelde wat ze zag, knikte hij, “goed gezien”. “Vraag hem straks maar hoe dat kan.” En zo vertelde de dompteur dat op het moment dat hij de kooi instapt, hij zichzelf als een reus voelt. Een hele grote en sterke reus, maar wel een lieve reus. De kleine tijger is dan zijn speelkameraadje, en die doet precies wat de reus wil. En zoals zij dat aan hem gezien had, zo voelt de tijger dat dan ook.

En uiteindelijk was het moment daar. Jasmijn ging leren koorddansen. Bang keek ze omhoog. Daar, heel hoog bovenin de nok, zag ze het koord. O, wat eng. Ze zuchtte. Toen ze de wijze man zachtjes hoorde lachen, vond ze dat helemaal niet leuk. Tot ze doorhad waarom. “Als je iets gaat leren”, zei hij, “doe je dat eerst voor spek en bonen. Je mag dus eerst oefenen. Stel je eens voor, een piloot die direct een vliegtuig vol passagiers naar hun vakantiebestemming moet brengen.” “Of dat als je leert zwemmen, je gelijk in het diepe gaat”, vulde Jasmijn aan. “Klopt. Daarom hebben we in het circus voor het oefenen een oefensituatie.”

Eerst leerde ze op de grond hoe ze haar voeten het beste neer kon zetten, en hoe ze zichzelf in evenwicht kon houden met haar armen. Toen mocht ze even op het plateau van het oefenkoord gaan staan. Een trapje van drie treden voerde haar naar het plateautje op n meter hoogte. Van daar af kon ze met haar voet vast even wennen aan het gevoel van het koord onder haar voeten. Met de speciale schoentjes die ze aanhad, viel dat best mee. Nog weer even op de grond droogoefenen en dan echt, op het oefenkoord.

Toen leken de drie treden ineens wel heel ver, en met je voeten op het plateau was je hoofd toch wel erg hoog, vond Jasmijn. Ze keek naar beneden en merkte dat haar benen ineens zo raar voelden. Net alsof ze van spaghetti waren. Haar keel was droog. “Ik kan het niet” zei ze met een dunne stem, “dit is veel te moeilijk, het is eng. En ik heb het nog nooit gedaan.” Dat begreep de wijze man best. Toen ze weer beneden stond, vroeg hij of ze zoiets cht nog nooit had gedaan. “Vertel mij dan maar eens wanneer jij voor het laatst over een recht smal stukje hebt gelopen, zoals over een stoeprand.”

Ja, natuurlijk kan ze dat. Ook dacht ze direct terug aan haar gymnastieklessen. Ze was best goed op de balk. En een stoep, dat is echt een makkie. “OK, een stoep is een makkie en op de balk ben je best goed.” Ze knikte, want dat is precies wat ze net zei. “Denk daar maar eens aan terug. Je staat voor de balk, en je bent aan de beurt. Zie wie er staan te kijken, hoor de doffe geluiden van de gymzaal, het gegiechel van je klasgenootjes en misschien ruik je zelfs het magnesium op je handen. Wat denk je, wat voel je?” Heel parmantig stond ze daar ineens, bijna eigenwijs. Haar oefening op de balk gaat ongetwijfeld goed.

Even later stond ze weer op het plateautje. “Denk aan de gymzaal, je staat alsof je zo op de balk gaat.” Ze vindt het nu helemaal niet meer eng, maar net zoals met de balk, leuk en spannend. Voorzichtig maar zeker, zette ze haar eerste voet neer. Ze hield even haar adem in. Dan schuifelt ze verder en zet haar tweede voet erop. Ze hoort haar vriendinnen en loopt rustig voetje voor voetje over de balk … en plotseling lag ze in de armen van de wijze man. Ze lachte: “Ik liep over het touw!”. Keer op keer klom ze omhoog en liep over het koord. Uiteindelijk lukte het haar de drie meter naar het andere plateautje aan een stuk te lopen.

Ze was heel blij, maar toch niet helemaal. “Ik loop, ik dans niet” concludeerde ze. “Ik ben een soort olifant op het koord.” Hij liet haar flink nadenken door te vragen wat dansen dan anders is dan lopen. Na een tijdje wist ze het. Ze heeft haar vriendinnetje wel eens gezien tijdens een balletuitvoering. Ze lachte er bij, hoe moeilijk het ook was, en het leek alsof ze zweefde. Daar konden ze mee verder. Hij liet haar denken aan die ene vriendin. Wat ze dan precies doet, en hoe ze dat doet. Toen ze stopten, vond hij dat zij het prima had gedaan. Ze is een snelle leerling, heeft een goed gevoel voor evenwicht, en ziet er vriendelijk uit. Ze lijkt zeker niet meer op een olifant, maar ietsiepietsie meer balletachtig zou geen kwaad kunnen. “Maar ja, je doet ook geen ballet.” Ze knikte.

 

Indruk

Dat haar vader aan het eind van de dag apetrots was, spreekt voor zich. Zijn dochter als koorddanseres! Wie had dat ooit gedacht. De hele verdere week vertelde ze honderduit over haar avontuur. Aan haar vader, haar broer, de buren, en aan iedereen die het maar wilde horen. En niet te vergeten natuurlijk op school tijdens haar spreekbeurt. Ze legde uit hoe het kan dat clowns zo grappig zijn, wat de dompteur denkt, en niet te vergeten over wat ze zelf heeft ondergaan en wat ze daarbij dacht. Alleen dat ze zichzelf op een olifant vond lijken, liet ze weg. Ook sprak ze over de slimme vragen die de wijze man stelde. En dat iedereen het koorddansen kan leren. Of zelfs aan de trapeze vliegen.

Het dagje circus had meer indruk op haar gemaakt dan ze zelf door had. Tijdens het gym-uur, wanneer ze zag dat een van de andere meisjes de balk wel erg eng vond, zei ze “Denk maar dat het een stoeprand is, want daar zag ik je in de pauze zelfs over huppelen.” Of bij de bok, “denk maar dat het je vriendinnetje is die bok staat.” Als iemand baalde dat hij viel of iets verkeerd deed, zei ze dat dat betekende dat degene aan het leren was. Zelfs haar vader keek haar af en toe ongelovig aan, wat een wijsheid had die kleine meid.

Als aandenken had ze bij het afscheid van de wijze man drie jongleerballetjes gekregen. Hij had het even voorgedaan en zei indringend: “Kijk en luister goed”. Als ze de glimmende balletjes uit de vensterbank in haar kamertje pakte, eraan rook en haar ogen dicht deed, hoorde ze hem niet alleen zeggen dat ze goed moest kijken en luisteren, maar dan leek het ook weer alsof ze even in het circus was. Ze hoorde de hoeven trappelen en voelde de rook weer in haar neus prikken. Wanneer tijdens het oefenen de ballen echter alle kanten op vlogen, riep haar broer dat ze het nog steeds niet kon. Vrolijk riep ze dan terug: “Het gaat wel steeds beter!”

De regen is opgehouden, mijn verhaal is af, en ik heb nog maar n tip: ervaar het zelf!

P.S. Als mijn blik toevallig weer over de uil op de kalenderplaat glijdt, valt het me op dat hij eigenlijk meer goedkeurend kijkt. Zou ik iets van zijn wijsheid hebben overgenomen?

Tinka ten Klooster

About the Author Librarian

Librarian is geen auteur. Het is een adminstratieve dienst die artikelen uit de oude IEP bibliotheek als posts op deze site heeft geplaatst. De datum van het artikel is ongeveer geschat (per jaar).

Leave a Comment: