Metafoor Reinalda: Oerend en Ahoe deel 2

Voor twee broertjes die ieder op hun eigen manier het plotselinge vertrek van hun vader uit hun leven proberen te verwerken, is het verhaal Oerend en Ahoe gemaakt. Hieronder leest u het tweede deel van dit verhaal. Met dank aan Inge van der Heijden, van wie het versje dat komt uit een van haar verhalen mocht bewerken. Reinalda Kerseboom.
Het eerste stuk van deze tekst is het gedeelte over Oerend en Ahoe samen en is een herhaling van het eerste deel. In het eerste deel volgden we Oerend en in dit deel staat Ahoe centraal.
Heeft u het eerste deel gemist, kijk dan hier voor het verhaal van Oerend.

Oerend en Ahoe

Heel lang geleden, toen de aarde nog plat was en de maan bewoond, leefde er aan de rand van de grote woestijn een bijzondere vogelfamilie.
Het verhaal van deze familie begint natuurlijk met de vader en de moeder, maar het gaat over hun kinderen: Oerend en Ahoe.

Op een zonovergoten dag ergens in de lente waren Arend Adelaar en Oehoe Uil tot over hun veren verliefd op elkaar geworden. De andere dieren vonden het een bijzondere combinatie en dat was het natuurlijk ook. “Jullie verschillen van dag tot nacht”, zeiden ze. Maar Arend Adelaar en Oehoe Uil trokken zich niets van hun commentaren aan. Ze strekten hun vleugels uit en gingen gezamenlijk op trek. Na vele omzwervingen bouwden ze op een plekje dat ideaal leek om voor altijd, of in elk geval voor langere tijd, te leven een nest aan de rand van de grote woestijn.
In de buurt van de oase was alles te vinden wat vogels nodig hebt om goed te kunnen leven. Er groeiden genoeg cactussen, er waren hoge rotsen, er was water en schaduw en er was genoeg te eten.
Uit het eerste broedsel van het nest werd Oerend geboren. En bij het tweede broedsel kroop Ahoe uit het ei. Allebei leken ze zowel op een adelaar als op een oehoe, ieder op hun eigen manier. Het waren prachtige vogels. Hun ouders waren dol op hen, ze waren geliefd bij de andere dieren in de oase.
Oerend en Ahoe leerden vliegen en ze leerden wat nodig was om te jagen. Ze leerden schreeuwen als een adelaar en roepen als een uil. Ze leerden geruisloos hun vleugels uit te slaan zoals een uil dat doet en te zweven op de thermiek zoals een adelaar dat doet.
Overdag was hun vader vaak weg, op zoek naar voedsel voor zijn gezin. Dan waren de jongen bij hun moeder en scharrelden ze rond in de buurt van hun nest waar altijd veel te doen en te ontdekken was. Een paar keer per jaar gingen ze samen op trek. Ze vlogen dan naar verschillende vreemde oorden. Soms nam hun vader de jonge vogels mee op zijn tochten door de woestijn. Dat waren bijzondere avonturen. Elke zomer gingen de jonge vogels alleen met hun moeder, die meer behoefte had aan schaduw en koelere luchten, voor langere tijd naar het noorden.
Het was een heerlijk leven en het had voor altijd zo mogen blijven doorgaan. Maar op een dag liet Arend Adelaar totaal onverwacht weten dat het voor een adelaar en een uil toch te ingewikkeld was om samen te leven. In het noorden kregen Oerend en Ahoe van hun moeder te horen dat ze nooit meer terug zouden keren naar het nest aan de rand van de grote woestijn. Hun nest daar was verstoord en hun vader was met een sperwer op een grote thermiekbel naar een ander ver land gevlogen. Niemand wist wanneer ze hem weer terug zouden zien.
Oerend en Ahoe misten hun vader verschrikkelijk, ieder op hun eigen manier.
Oerend was boos en omdat hij zijn boosheid niet aan zijn vader kon laten zien schreeuwde hij het vaak uit tegen alle anderen. Maar ’s nachts in het donker kon hij niet slapen en dan lag hij zich in hun nieuwe nest eenzaam af te vragen waarom het zo was gelopen en of het door hem kwam dat zijn vader niet meer bij hen wilde zijn. Onder zijn veren nestelde zich in plaats van dons een dikke laag verdriet dat hem hinderde bij het vliegen.
Ahoe leek het misschien wel minder erg te vinden dat hij zijn vader bijna nooit meer zag. Maar ook hij voelde zich in de steek gelaten en alleen. Hij werd drukker dan hij ooit was geweest, misschien omdat hij zo probeerde de onzekerheid die zich tussen zijn veren had genesteld weg te krijgen.
Een paar seizoenen gingen zo voorbij. Oehoe Uil vond een nieuwe partner. Het was Snowy, een sneeuwuil die ze nog van vroeger, toen haar nest in het noorden was, kende. Na een poosje besloot ze met Oerend en Ahoe naar zijn nest in het grote woud te verhuizen. Het was een groot en stevig nest en er was plaats genoeg. Ook Snowy had eerder met een andere vogel een nest gehad en ook daar was een jong uit het ei gekropen. Dat kwam vaak bij Snowy logeren. Ze heette Owly. Oerend en Ahoe vonden het heerlijk als zij er was.

Vader Arend kwam na een poos ook naar het noorden. Maar hij had er geen eigen nest en hij kon er ook onvoldoende voedsel voor zichzelf vinden. Daarom konden Oerend en Ahoe maar heel weinig bij hem zijn. Heel af en toe, maar niemand wist precies van te voren wanneer, kwam Arend Adelaar nog wel eens langs. Eerst kwam Sperwer met hem mee. Maar het bleek ook voor een sperwer te ingewikkeld om samen met een adelaar te nestelen. Sperwer ging terug naar haar eigen broedplaats. Als Arend zijn jongen ophaalde dan nam hij ze opnieuw mee op stoere avonturen, zoals kikkerjacht, zweefduiken en speedflying.
Oerend en Ahoe waren altijd heel blij als ze weer eens een poosje bij hun vader konden zijn. Ze genoten van de stoere avonturen en van zijn gezelschap. Maar sommige avonturen waren zo spannend dat ze er ook een beetje bang van werden. Dat zeiden ze natuurlijk niet, want ze waren bang dat hun vader dan helemaal nooit meer terug zou komen om hen op te halen. Maar hun moeder Oehoe en ook Snowy merkten het meestal wel aan hen. Oerend was dan bozer en onrustiger in de nacht. Ahoe reageerde drukker dan anders.
Maar ook aan dat alles kwam totaal onverwacht een eind. Helemaal buiten het trekseizoen ging vader Arend opnieuw op reis. Hij wilde in een ander zuidelijker land gaan leven. Daarom konden Oerend en Ahoe opnieuw lang tijd niet samen met hem opvliegen en avonturen beleven. En niemand wist precies of en wanneer hij terug zou komen……

Ahoe

Ahoe wilde het liefst een echt arenduilenjong zijn. Hij was nog heel jong toen zijn vader hun nest verliet. Het verdriet en het gemis ging bij hem daardoor meer in zijn spieren dan in zijn gedachten zitten, daardoor was Ahoe vaak onrustig en druk. Zo gaat het als je alleen nog maar kunt piepen. Daar kan niemand wat aan doen.
Toen hij nog een kuiken was had zich ook een grote angst -vooral de kleinste beestjes- van hem meester gemaakt. Hij wilde niet dat iemand daar ooit achter zou komen. Dus vaak deed hij zich veel stoerder voor dan een echt arenduilenjong hoeft te zijn.
Dat maakte dat Ahoe, speciaal als hij onder vogels was die hij nog niet goed kende, zo druk en onrustig deed dat ze weleens de kriebels van hem kregen. Daar kon ook niemand wat aan doen.

Als Ahoe iets nieuws had ontdekt, bijvoorbeeld hoe hij op z’n uils zo dicht mogelijk langs iemand kon vliegen zonder hem echt aan te raken, dan kon hij daar uren aan een stuk mee bezig zijn. Ze vinden mijn uiligheid echt leuk, dacht hij dan en daar genoot hij van. Of als hij had uitgevonden hoe hij op z’n adelaars zo hard mogelijk kon roepen, dan genoot hij zo van zijn nieuwste vaardigheden en de bewondering die hij met zijn adelaarstactieken kreeg dat hij er niet mee wilde stoppen. Zelfs niet als voor de anderen het nieuwtje van zijn kunsten er allang af was. Wanneer ze hem dan, eerst vriendelijk en later boos, vroegen om te stoppen en ‘gewoon’ te doen voelde hij zich enorm gekwetst. Zijn drukte was voor hem immers gewoon en hij wilde zijn zoals hij was. Dus riep hij woedend dat ze allemaal stom waren. Zijn verdrietige boosheid bleef veel te lange tijd onder zijn veren steken en daar hadden de anderen, maar ook hijzelf last van. Van narigheid wist Ahoe dan niet meer waar hij het zoeken moest en dat maakte hem dan weer heel erg druk.
Ahoe snapte uiteindelijk niet meer goed wat de anderen van hem wilden en al helemaal niet meer wat hij zelf van de anderen nodig had. Dat maakte dat hij zich te vaak boos en ongelukkig voelde.
Omdat hij altijd bij zijn moeder Oehoe en Snowy was, dacht hij soms dat hij maar beter met zijn vader mee op trek kon. Hij wist het niet zeker, maar misschien was hij toch meer een adelaar dan een uil? Maar als hij eens een keer een poosje bij zijn vader Arend was dan miste hij het grote nest aan de rand van het woud vreselijk.

Op een dag was Ahoe aan het stuntvliegen. Hij zoefde met hoge snelheid door het grote woud. Sneller en harder vloog hij. Eerst vlogen zijn vrienden IJsvogel en Raaf nog met hem mee, maar na een tijdje keerden die om, nog tegen Ahoe roepend dat ze een beetje wilden rusten.
Maar Ahoe kon weer eens niet stoppen. Hij genoot zo van wat hij aan het doen was. Hij keek nog even achterom om naar zijn vrienden. Daardoor kon het gebeuren dat hij keihard tegen een tak aanvloog en pardoes op de grond viel. Geschrokken inspecteerde hij eerst zijn vleugels en daarna zijn pootjes. Er was gelukkig niets gebroken.

Toen keek hij voorzichtig om zich heen, niemand had zijn ongelukkige val gezien. Bijna slaakte hij een zucht van opluchting, maar toen ontdekte hij dat hij midden in een termietenheuvel terecht was gekomen. Verschrikt probeerde hij op te vliegen, maar hij was letterlijk door zijn angst voor de kleinste beestjes vleugellam geraakt. Net voor de angst hem helemaal te pakken kreeg landde er een bijzonder insect vlak voor zijn snavel.
“Dag Ahoe”, zei het bijzondere insect. “Ik ben Lievemier. Ik heb net als jij een verschillende vader en moeder. Mijn moeder is een lieveheersbeestje en mijn vader is een bosmier.”
Ahoe keek het bijzondere dier een poosje wantrouwend aan. “Zet geen poot dichterbij me”, riep hij. “Ik hou niet van de kleinste beestjes!”
Lievemier deed gehoorzaam een paar stappen achteruit. “Okay, okay. Ik luister naar je”, zei hij. “Als ik doe wat je vraagt kunnen we dan gewoon verder praten? Ben ik zo ver genoeg teruggegaan?”
“Nee,” zei Ahoe. “Je moet nog 7 stappen verder weg.” Verbaasd keek hij vervolgens toe hoe Lievemier hardop tellend 7 stappen terugdeed.
“Zo goed,” vroeg Lievemier. “Of heb je nog wat meer afstand nodig?”
Ahoe keek even, mat in gedachten het aantal stappen tussen het insect en hem. “Nou,” zei hij, “jij hebt maar kleine pootjes en je maakt kleine stapjes. Ga nog maar een beetje verder weg.”
Gehoorzaam liep Lievemier achteruit. Net zo lang tot Ahoe knikte dat hij ver genoeg was en een zucht van opluchting slaakte, “pffff…”.
“Ik heb een belangrijke boodschap voor je’, zei Lievemier.
“Voor mij”, vroeg Ahoe. Die aan de ene kant merkte dat hij het insect kon vertrouwen, want het had heel precies gehoorzaamd en rekening gehouden met wat Ahoe prettig vond. Maar aan de andere kant van alles onder zijn veren voelde kriebelen: van angst tot nieuwsgierigheid en van verdriet tot ergernis.
Het leek wel alsof Lievemier al die wisselende gevoelens onder Ahoe’s veren kon voelen. “Ik weet dat je bang bent voor kleine beestjes zoals ik. Meestal is dat nergens voor nodig en eerder anders om. Eén pik van jouw snavel en ik ben er geweest. Je bent veel groter en krachtiger dan zelfs een hele colonne van ons kleintjes bij elkaar.”
Ahoe’s snavel zakte een eindje open. Wat was dit voor een raar klein beest?
“Kom maar dichterbij, als je me beter wilt bekijken,” zei het beestje. Dan zal ik je uitleggen dat er op de wereld maar een paar kleine beestjes zijn voor wie je wel moet uitkijken. Giftigers zijn dat en ook wat stekers. Maar voor het gros van ons heb jij niets te vrezen.”
Ahoe merkte dat hij verdrietig werd. Hij was zo bang en nu leek het wel alsof die Lievemier hem ging vertellen dat dit nergens voor nodig was. Hij was toch zeker geen aansteller.
“Geeft niks hoor, als je niet dichterbij durft,” zei Lievemier. “Als angst en verdriet onder je veren zijn gekropen is er tijd nodig om die te laten verdwijnen. Ik heb de hele dag”.
Geërgerd schudde Ahoe zijn veren. Hij was van plan weg te vliegen. Waarom zou hij proberen dichter bij Lievemier te komen, zijn angst te overwinnen en naar dat stomme beest te luisteren? Die had vast en zeker weer een preek over dat hij eens moest gaan proberen gewoon te doen. Nou, mooi niet.
“Ik heb gezien hoe goed je bent in stuntvliegen op uilenvleugels. Ik heb jouw sterke arendenroep gehoord. Je bent een bijzonder arenduilenjong”, zei Lievemier. Daarna keek het rustig, maar afwachtend en vriendelijk voor zich uit.
Ahoe streek zijn veren glad en besloot nog eventjes te blijven. Er gebeurde een hele poos niets. Lievemier bleef zitten waar hij zat en Ahoe zette geen stapje dichterbij.
“Het is goed,” sprak Lievemier na een tijdje. “Voor vandaag is het ok. Zullen we morgen verder praten?”
Ahoe knikte. Wie weet wat deze ontmoeting hem zou brengen. Op de een of andere manier vond hij het prettig om in het gezelschap van dit wonderlijke beestje te zijn. En zo kwam het dat ze afspraken. Elke dag een poosje.
Dan zaten ze samen en waren ze stil, of liet Ahoe aan Lievemier zijn nieuwste vaardigheden zien: uileballenbraken of arendblikken werpen.
Iedere keer deed Lievemier alleen maar precies wat Ahoe hem vroeg. Hij kwam nooit dichterbij dan Ahoe goed vond en toch werd de afstand tussen de 2 dieren telkens een beetje kleiner. Ahoe merkte dat hij het prettig vond dat er rekening met hem werd gehouden en dat Lievemier nooit zijn grenzen overschreed. Daarom wilde hij graag en lang in zijn gezelschap zijn.
Toen Ahoe eenmaal had bedacht hoe fijn het was dat Lievemier naar hem luisterde, nam hij zich voor een beetje op zijn nieuwe vriend te gaan lijken. Dat was een geweldig besluit, maar de drukte die zich onder zijn veren had vastgezet, maakte dat het niet altijd even gemakkelijk was om steeds zoals Lievemier te doen.
Alle andere dieren merkten wel meteen dat Ahoe zich anders ging gedragen. Natuurlijk stuntte hij nog graag en liet hij met veel plezier zijn kunsten zien. Maar als ze tegen hem zeiden dat het nu wel klaar was dan lukte het Ahoe steeds beter om gewoon te stoppen. Het werd een stuk gezelliger met elkaar.

Lievemier zocht Ahoe zeven keer zeven dagen op. Ze spraken samen over alles wat Ahoe belangrijk vond. En ze deden een spel waarbij Ahoe steeds beter leerde voelen en zien wat voor Lievemier wel en niet prettig was. Het leek wel een beetje op Annamaria Koekoek.
Op de zevende dag van de zevende keer zei Lievemier : “Vandaag is de laatste dag dat we elkaar ontmoeten. Ik heb een lied voor je.”
Ahoe keek over zijn snavel naar zijn nieuwste vriend. Hij zette zijn oorpluimen op ten teken dat hij wilde luisteren.
In het hart van vele dieren is een belangrijke plek voor jou gereserveerd
Geniet daar gerust van en voel je vereerd
Je voelt je soms eenzaam, maar je bent niet alleen,
Je hebt je ouders, je familie en vrienden om je heen
Zij zien graag wat jij kunt en wat je wilt leren
Ze zien je geweldige dingen presteren
Maar bedenk vooral ook, iederéén vindt het fijn
Om bij iemand die terug kijkt en luistert te zijn
Jij gaat je weg wel vinden, een Ahoe vindt zijn pad
Met alles wat jij in je hebt lukt je dat!
Lievemier keek Ahoe vriendelijk aan en Ahoe had het gevoel dat er een zilveren windvlaag tussen zijn veren kroop die hem tot in zijn hart verwarmde. Diep van binnen wist hij dat het klopte wat Lievemier hem in zijn lied vertelde. Hij voelde hoeveel er van hem gehouden werd en ergens wist hij dat het met hem helemaal goed zou komen omdat hij een gewoon bijzondere arenduil was. Een heleboel herinneringen leken ineens tegelijkertijd naar boven te komen. Hij dacht aan de keer dat hij samen met Arend enorm had gelachen om de gekke vormen van allerlei stenen die ze gevonden hadden. Hij zag zichzelf zij aan zij met Oehoe zweven in holst van de nacht. Hij herinnerde zich hoe hij met Snowy vuurvliegen had gevangen in het grote woud. Hij zag zichzelf met opa en oma cirkelen over de zuidelijke zee en nog veel en veel meer plaatjes plopten op in zijn hoofd.
Ahoe vertelde alles wat in hem op kwam aan Lievemier en die luisterde en lachte uren met hem tot de zonnestralen verdwenen uit het bos en het woud donker werd.
‘Het is tijd om terug te gaan Ahoe’, zei Lievemier, ‘ik heb enorm genoten van jou en al je verhalen. Ik denk dat het je zeker gaat lukken een hele sterke, mooie en gewoon bijzondere arenduil te worden. Een vogel die perfect past in jouw gewoon bijzondere vogelfamilie. Mag ik jou jouw rug, dan kan ik nog een eindje met je mee?”
En terwijl het maanlicht scheen op Ahoes zilveren vleugels zweefden ze terug naar het nest in het grote woud waar de prachtige kleuren van de verschillende veren van Ahoes familieleden oplichtten in de maneschijn.
Voordat ze voorgoed afscheid namen zongen ze samen nog 1keer Lievemiers lied voor Ahoe:
In het hart van vele dieren is een belangrijke plek voor jou gereserveerd
Geniet daar gerust van en voel je vereerd
Je voelt je soms eenzaam, maar je bent niet alleen,
Je hebt je ouders, je familie en vrienden om je heen
Zij zien graag wat jij kunt en wat je wilt leren
Ze zien je geweldige dingen presteren
Maar bedenk vooral ook, iederéén vindt het fijn
Om bij iemand die terug kijkt en luistert te zijn
Jij gaat je weg wel vinden, een Ahoe vindt zijn pad
Met alles wat jij in je hebt lukt je dat!

About the Author Reinalda Kerseboom

Reinalda Kerseboom was meer dan 30 jaar speltherapeut. Ze volgde haar NLP-opleidingen en de opleiding tot provocatief coach bij het IEP. Ze was gespecialiseerd in het werken met metaforen. Ze is auteur van een aantal boeken met en over hulpbronverhalen. --- Ze had een praktijk in Renkum, waar ze kinderen, jongeren en ouders zag. ---- Ze geeft momenteel geen therapie meer, maar houdt zich bezig met het management van haar Bed & Breakfast; zij is eigenaar van B&B 'de Kleikamp' in het mooie Renkum, Gelderland. Zeker een bezoek waard!

Leave a Comment: