Menu

Metafoor Reinalda: Oerend en Ahoe

Voor twee broertjes die ieder op hun eigen manier het plotselinge vertrek van hun vader uit hun leven proberen te verwerken, is het verhaal Oerend en Ahoe gemaakt. Hieronder leest u het eerste deel van dit verhaal. Met dank aan Inge van der Heijden, van wie het versje dat komt uit een van haar verhalen mocht bewerken. Reinalda Kerseboom.

Oerend en Ahoe 

Heel lang geleden, toen de aarde nog plat was en de maan bewoond, leefde er aan de rand van de grote woestijn een bijzondere vogelfamilie.
Het verhaal van deze familie begint natuurlijk met de vader en de moeder, maar het gaat over hun kinderen: Oerend en Ahoe.

Op een zonovergoten dag ergens in de lente waren Arend Adelaar en Oehoe Uil tot over hun veren verliefd op elkaar geworden. De andere dieren vonden het een bijzondere combinatie en dat was het natuurlijk ook. “Jullie verschillen van dag tot nacht”, zeiden ze. Maar Arend Adelaar en Oehoe Uil trokken zich niets van hun commentaren aan. Ze strekten hun vleugels uit en gingen gezamenlijk op trek. Na vele omzwervingen bouwden ze op een plekje dat ideaal leek om voor altijd, of in elk geval voor langere tijd, te leven een nest aan de rand van de grote woestijn.
In de buurt van de oase was alles te vinden wat vogels nodig hebt om goed te kunnen leven. Er groeiden genoeg cactussen, er waren hoge rotsen, er was water en schaduw en er was genoeg te eten.

Uit het eerste broedsel van het nest werd Oerend geboren. En bij het tweede broedsel kroop Ahoe uit het ei. Allebei leken ze zowel op een adelaar als op een oehoe, ieder op hun eigen manier. Het waren prachtige vogels. Hun ouders waren dol op hen, ze waren geliefd bij de andere dieren in de oase.
Oerend en Ahoe leerden vliegen en ze leerden wat nodig was om te jagen. Ze leerden schreeuwen als een adelaar en roepen als een uil. Ze leerden geruisloos hun vleugels uit te slaan zoals een uil dat doet en te zweven op de thermiek zoals een adelaar dat doet.
Overdag was hun vader vaak weg, op zoek naar voedsel voor zijn gezin. Dan waren de jongen bij hun moeder en scharrelden ze rond in de buurt van hun nest waar altijd veel te doen en te ontdekken was. Een paar keer per jaar gingen ze samen op trek. Ze vlogen dan naar verschillende vreemde oorden. Soms nam hun vader de jonge vogels mee op zijn tochten door de woestijn. Dat waren bijzondere avonturen. Elke zomer gingen de jonge vogels alleen met hun moeder, die meer behoefte had aan schaduw en koelere luchten, voor langere tijd naar het noorden.

Het was een heerlijk leven en het had voor altijd zo mogen blijven doorgaan. Maar op een dag liet Arend Adelaar totaal onverwacht weten dat het voor een adelaar en een uil toch te ingewikkeld was om samen te leven. In het noorden kregen Oerend en Ahoe van hun moeder te horen dat ze nooit meer terug zouden keren naar het nest aan de rand van de grote woestijn. Hun nest daar was verstoord en hun vader was met een sperwer op een grote thermiekbel naar een ander ver land gevlogen. Niemand wist wanneer ze hem weer terug zouden zien.

Oerend en Ahoe misten hun vader verschrikkelijk, ieder op hun eigen manier.
Oerend was boos en omdat hij zijn boosheid niet aan zijn vader kon laten zien schreeuwde hij het vaak uit tegen alle anderen. Maar ’s nachts in het donker kon hij niet slapen en dan lag hij zich in hun nieuwe nest eenzaam af te vragen waarom het zo was gelopen en of het door hem kwam dat zijn vader niet meer bij hen wilde zijn. Onder zijn veren nestelde zich in plaats van dons een dikke laag verdriet dat hem hinderde bij het vliegen.
Ahoe leek het misschien wel minder erg te vinden dat hij zijn vader bijna nooit meer zag. Maar ook hij voelde zich in de steek gelaten en alleen. Hij werd drukker dan hij ooit was geweest, misschien omdat hij zo probeerde de onzekerheid die zich tussen zijn veren had genesteld weg te krijgen.

Een paar seizoenen gingen zo voorbij. Oehoe Uil vond een nieuwe partner. Het was Snowy, een sneeuwuil die ze nog van vroeger, toen haar nest in het noorden was, kende. Na een poosje besloot ze met Oerend en Ahoe naar zijn nest in het grote woud te verhuizen. Het was een groot en stevig nest en er was plaats genoeg. Ook Snowy had eerder met een andere vogel een nest gehad en ook daar was een jong uit het ei gekropen. Dat kwam vaak bij Snowy logeren. Ze heette Owly. Oerend en Ahoe vonden het heerlijk als zij er was.

Vader Arend kwam na een poos ook naar het noorden. Maar hij had er geen eigen nest en hij kon er ook onvoldoende voedsel voor zichzelf vinden. Daarom konden Oerend en Ahoe maar heel weinig bij hem zijn. Heel af en toe, maar niemand wist precies van te voren wanneer, kwam Arend Adelaar nog wel eens langs. Eerst kwam Sperwer met hem mee. Maar het bleek ook voor een sperwer te ingewikkeld om samen met een adelaar te nestelen. Sperwer ging terug naar haar eigen broedplaats. Als Arend zijn jongen ophaalde dan nam hij ze opnieuw mee op stoere avonturen, zoals kikkerjacht, zweefduiken en speedflying.

Oerend en Ahoe waren altijd heel blij als ze weer eens een poosje bij hun vader konden zijn. Ze genoten van de stoere avonturen en van zijn gezelschap. Maar sommige avonturen waren zo spannend dat ze er ook een beetje bang van werden. Dat zeiden ze natuurlijk niet, want ze waren bang dat hun vader dan helemaal nooit meer terug zou komen om hen op te halen. Maar hun moeder Oehoe en ook Snowy merkten het meestal wel aan hen. Oerend was dan bozer en onrustiger in de nacht. Ahoe reageerde drukker dan anders.
Maar ook aan dat alles kwam totaal onverwacht een eind. Helemaal buiten het trekseizoen ging vader Arend opnieuw op reis. Hij wilde in een ander zuidelijker land gaan leven. Daarom konden Oerend en Ahoe opnieuw lang tijd niet samen met hem opvliegen en avonturen beleven. En niemand wist precies of en wanneer hij terug zou komen……
Oerend

In het begin baalde Oerend er heel erg van dat hij zijn vader weinig zag. Hij droomde er met open ogen van dat alles weer werd zoals het vroeger in de woestijn geweest was.
Hij dacht dat het vooral door hem kwam, dat het zijn schuld was dat zijn vader met de zuiderzon was vertrokken. Daarom probeerde hij zo goed als hij kon het zijn vader en ook Sperwer naar de zin te maken. Hij slikte zijn eigen mening in en probeerde steeds te raden hoe zij wilden dat hij zich gedroeg. Hij deed alle dingen op een adelaarsmanier en probeerde zo min mogelijk op een uil te lijken. Dat lukte hem wel enigszins. Maar het kostte heel veel energie, want bij elke vleugelslag en elk geluidje moest hij nadenken. Hij was tenslotte ook voor de helft een uil.
Naarmate de seizoenen verstreken en elkaar afwisselden raakte hij er, op een teleurgestelde manier, uiteindelijk aan gewend dat hij zijn vader zelden zag. Zijn vader was zijn vader, stoer, avontuurlijk en meestal ergens onderweg. Hij kwam altijd wel weer even aanvliegen, maar je wist nooit wanneer. Dat was gewoon zo en daar kon niemand blijkbaar wat aan doen.  Het was slim van Oerend dat hij dit bedacht had, want zo denken paste het beste bij de werkelijkheid.
Nu zijn grote droom aan diggelen was gevallen zou je denken dat Oerend daarmee ook weer gewoon zichzelf durfde te zijn: een uilenarendjong. Maar op de een of andere manier had de gedachte dat hij niet goed genoeg was zoals hij was zich toch onder zijn veren genesteld. Daarom floot hij altijd met de andere vogels rond zijn nieuwe nest mee. Hij kraaide met de kraaien, hij tsilpte met de mussen, hij gakte met de ganzen en hij zong met de zanglijsters. Als hij zijn eigen adelaarsuilenroep maakte zette hij zijn veren heel wijd uit en dan schreeuwde hij oerendhard. Daar konden de andere vogels niet zo goed tegen en ze lieten hem vaker dan nodig links liggen of ze raakten met hem in gevecht.

Op een dag waren de dingen voor Oerend met de andere vogels weer eens verkeerd gegaan. Hij snapte niet waardoor, want hij had nog zo verschrikkelijk zijn best gedaan om te klepperen als een ooievaar en te kwaken als een eend. En toch waren ze allemaal bij hem weggevlogen. Oerend baalde er zo van dat hij besloot om weg te vliegen. Hij vond een thermiekbel waarop hij zich een heel eind mee liet zweven.  Hij zag de rivier, de heuvels en de grote heide en nog verder zweefde hij. Het werd al schemerig toen hij zich realiseerde dat hij niet meer wist waar hij uitgekomen was.  Voorzichtig landde hij in een grote boom, die ergens midden op een zandverstuiving stond. Moe en onzeker keek hij om zich heen. Hij wilde naar huis, maar hij had geen idee hoe hij de weg terug naar het nest in het grote woud in het donker terug kon vinden. Hij knipperde met zijn ogen en zuchtte diep. “Nu heb ik het helemaal verknald. Ik ben echt te ver gegaan”, mompelde hij zachtjes in zichzelf.
“Dag Oerend, daar ben je dan”, hoorde hij ineens van ergens onder hem. Verbaasd keek hij naar beneden. Wie was daar en wie kende hem hier bij naam?
“Ik ben het, Vliegden, zei de boom. “En ik ken jouw hele familie”, ging de boom verder alsof hij Oerends gedachten kon raden. “Kom binnen, je bent moe. Onder de tak waar je geland bent heb ik een hol, speciaal voor verdrietige en vermoeide vogels”.
Oerend kon zijn oren bijna niet geloven. Maar toen hij ietsjes beter keek zag hij inderdaad onder de tak waarop hij geland was een hol waar hij precies in paste. Hij kroop naar binnen en zo in dat holletje voelde hij zich meteen veilig.
“Er is ook wel wat voor je te eten daar”, zei de boom. Neem maar wat je lekker vindt en rust dan maar uit. Morgen praten we verder”.

Oerend werd de volgende ochtend met een vreemd, maar uitgerust gevoel wakker. Blijkbaar had hij heerlijk geslapen in de holle boom en was de zandverstuiving voor dit moment een goede plek voor hem om te zijn.

“Ik dacht vandaag dat het misschien wel fijn voor je zou zijn als ik met je zou praten”, zei de boom al zodra hij merkte dat Oerend zijn veren allemaal had glad gestreken en zijn snavel had gepoetst.
Oerend, die eigenlijk van plan was op zijn uilenvleugels geruisloos weg te vliegen, werd nu wel benieuwd. Wat zou Vliegden hem willen vertellen?
“Ik zie je wel eens hier vanuit de zandverstuiving, wanneer jij langs de rand  van het woud vliegt. Ik zie dat je enorm je best doet om het voor iedereen goed te doen. Dat je ervoor zorgt dat je moeder blij is en dat je probeert je vader trots op je te laten zijn. En ik zie ook hoe moeilijk dat soms is en dat het af en toe echt niet wil lukken.”
Oerend dacht na over wat Vliegden zei. Hij dacht aan zijn papa, die sterke stoere adelaar,  die er vaak moeilijk voor hem kon zijn. En hij dacht aan zijn lieve mama en aan Snowy en hij voelde hoe zij ook van hem hielden en alles voor hem wilde doen.
“Het is belangrijk…”,  vervolgde Vliegden, “…belangrijk dat je probeert het goed te doen voor anderen. Maar misschien is het nog wel belangrijker dat je heel goed leert voelen wat goed is voor jou.”
“Poeh”, dacht Oerend, “hoe moet ik dat nou weten?”
Het leek wel of Vliegden de vraag die hij zichzelf in gedachten stelde kon lezen. “Nu is dat nog moeilijk, want je bent nog jong. Maar hoe groter je wordt, hoe beter je leert wat jij fijn vindt en wat niet. Dan leer je ook beter wat jij op kan lossen en wat het probleem is van iemand anders. Dat je soms aan een ander moet denken, maar soms juist ook aan jezelf. En dat je soms terecht boos bent of verdrietig, of teleurgesteld en dat ook gerust mag zeggen tegen de dieren om je heen. Geloof me, ze zullen je echt begrijpen”.
Oerend voelde een traan opkomen. Hij voelde hoe hij inderdaad wel eens heel teleurgesteld was of heel boos. Hoe hij soms niet kon begrijpen waarom de dingen eigenlijk gingen zoals ze gingen.
“Zijn jouw ouders bij elkaar gebleven?” vroeg Oerend  aan Vliegden. Vliegden schudde zijn hoofd. “Bomen  en de zandverstuiving, dat is geen goede combinatie voor altijd. Maar ik hield van allebei en zij hielden van mij, dat is een ding dat zeker is.”
Oerend  voelde het warm worden van binnen omdat hij wist dat daar bij hem ook geen twijfel over was. Arend en Oehoe hielden niet meer van elkaar maar zeker wel van hem.

Het werd even stil op de zandverstuiving. Oerend en Vliegden luisterden samen naar de wind. Oerend bedacht zich hoe graag hij zou weten wanneer alles weer zou worden zoals het was. Zou hij ooit weer bij Arend gaan wonen? Of bleef hij bij Oehoe en Snowy?
“De dingen worden misschien wel niet meer precies zoals ze eerder zijn geweest”, zei Vliegden. “Maar nieuwe wegen in je leven kunnen ook heel interessant en mooi zijn. Geniet van de momenten dat Arend tijd en ruimte voor je heeft en jullie samen dingen kunnen doen. Ik hoop voor je dat er steeds meer van die momenten zullen komen, maar niemand weet precies wat de toekomst brengt. Ik zag zijn silhouet afgelopen week ineens weer overzweven boven het bos.”
Oerend dacht terug aan afgelopen week. Hij had inderdaad heerlijk rondgevlogen met Arend en lekkere jachtbuiten met hem geslagen. Arend was vrolijk geweest en blij zijn zoons te zien. Oerend  glimlachte als hij er aan terug dacht.
“Maar weet ook dat het soms anders zal lopen dan je had verwacht of gehoopt”, ging Vliegden verder, “en dat de plannen dan dus moeten worden bijgesteld. Ik weet dat jij dat kan, ook al is het niet altijd gemakkelijk. Je hebt een heleboel dieren om je heen die je daarbij kunnen helpen. Ik zie hoe krachtig je nu al bent. Het is je gelukt je prima te redden op hele verschillende plekken in de wereld. Ik weet niet of je in de toekomst bij de uilen of de adelaars zult wonen, maar ik weet wel dat jij op beide plekken je weg zult kúnnen vinden. En Oehoe en Arend zullen er altijd voor je zijn om samen met jou te bekijken wat wanneer het beste voor jou is. Je hebt de kracht van een adelaar en de wijsheid van een uil. Je bent vrolijk en sterk en kunt met bijna alle andere vogels overweg. Ik weet zeker dat jouw kracht de andere dieren in de toekomst versteld zal doen staan. Je bent geen uil en  je bent ook geen adelaar. Je bent een eigen unieke soort. Het ga je goed Oerend, vertrouw maar op jezelf!”.
Nadat Vliegden dit gezegd had knipoogde hij naar Oerend en hij schudde even met zijn takken. Oerend sloeg zijn vleugels uit en vloog toen geruisloos van de zandverstuiving weg. Hij voelde zich lichter dan hij zich in tijden gevoeld had. Het leek wel of zijn verdriet een beetje gesmolten was.

De volgende nacht thuis sliep Oerend onrustig. In zijn dromen kwam Vliegden verschillende keren voor. Ze zaten weer samen op de zandverstuiving te luisteren naar de wind, maar gek genoeg was Vliegden ook bij Oerend als hij in zijn droomvlucht meegenomen werd door de thermiek. En iedere keer in de droom  vertelde Vliegden hem hetzelfde versje. Maar voor Oerend klonk het lied de ene keer met zijn vaders en dan weer met zijn moeders stem:

In het hart van vele dieren is een belangrijke plek voor jou gereserveerd
Geniet daar gerust van en voel je vereerd
Geen twijfel over de liefde van je ouders, je familie, de vrienden om je heen
Wees gerust, daardoor sta jij nooit alleen
Maar bedenk vooral ook hoe sterk jij zelf al bent
Ook al gaan de dingen anders dan gepland
Jij gaat je weg wel vinden, een Oerend  vindt zijn pad
Met alles wat jij in je hebt lukt je dat!

Oerend werd die ochtend wakker met een wonderlijk sterk gevoel. De lichtheid van gisteren was er nog, maar het gloeide nu ook echt van binnen. Nadat hij had ontbeten met Oehoe en Snowy, sprong hij vrolijk naar buiten en besloot naar het kraaienveld te vliegen. Daar trof hij verschillende vogels, groot en klein. Ze omvleugelden elkaar zoals alleen vogels dat kunnen. Het viel de anderen op hoe vrolijk Oerend was vandaag en ze maakten samen een paar mooie duikvluchten. Oerend besloot daarna ook nog even naar Owly te vliegen. Owly zat op haar gemakje in een prachtige rode beuk midden in het grote woud en was zoals altijd blij om Oerend te zien.  Anders dan hij zag ze haar vader regelmatig en ze kon zich daarom indenken hoe anders en misschien ook lastiger het voor haar nestbroer was.

Oerend vertelde Owly hoe blij hij zich voelde, ook al wist hij zekerder dan ooit dat hij zijn vader Arend nooit zo vaak zou kunnen zien als zij de hare. Hij vertelde dat hij wel zin had om samen een lange tocht te maken langs alle verschillende bomen in het woud. Owly vond dat een geweldig idee. Al fladderend voelde Oerend dat hij zijn nestzus wilde vertellen over zijn ontmoeting met Vliegden en het versje uit zijn dromen. Owly was onder de indruk van alles wat haar nestbroer vertelde. Zo mooi had zij het zelf niet kunnen zeggen, maar zij was het helemaal eens met Vliegden. Oerend zou zijn pad zeker gaan vinden! Al zwevend vlogen ze samen door de dag en samen zongen ze nog de woorden van Vliegden:

In het hart van vele dieren is een belangrijke plek voor jou gereserveerd
Geniet daar gerust van en voel je vereerd
Geen twijfel over de liefde van je ouders, je familie, de vrienden om je heen
Wees gerust, daardoor sta jij nooit alleen
Maar bedenk vooral ook hoe sterk jij zelf al bent
Ook al gaan de dingen anders dan gepland
Jij gaat je weg wel vinden, een Oerend vindt zijn pad
Met alles wat jij in je hebt lukt je dat!

©Reinalda Kerseboom
De liedjes in het verhaal zijn met toestemming overgenomen en aangepast uit een verhaal van collega Inge van der Heijden.

About the Author Reinalda Kerseboom

Reinalda Kerseboom was meer dan 30 jaar speltherapeut. Ze volgde haar NLP-opleidingen en de opleiding tot provocatief coach bij het IEP. Ze was gespecialiseerd in het werken met metaforen. Ze is auteur van een aantal boeken met en over hulpbronverhalen. --- Ze had een praktijk in Renkum, waar ze kinderen, jongeren en ouders zag. ---- Ze geeft momenteel geen therapie meer, maar houdt zich bezig met het management van haar Bed & Breakfast; zij is eigenaar van B&B 'de Kleikamp' in het mooie Renkum, Gelderland. Zeker een bezoek waard!

Leave a Comment: