Metafoor Reinalda: Vuurtje Vuurvlinder

‘Een geschenk uit de natuur……’

De afgelopen weken was het een drukte van jewelste in onze tuin. Toen de vruchten van de oude suikerpeer rijp begonnen te worden vlogen vlinders af en aan. Ik kon er nauwelijks genoeg van krijgen. Het leidde mij ook wat af van de vele zorgen die ik me om zieke naasten maakte. Regelmatig liep ik met mijn smartphone in de aanslag langs om te proberen ze te fotograferen. De Atalanta’s leken er een sport van te maken hun vleugels dicht te houden terwijl ze zich tegoed deden aan het perensap. Ze werden er bijna onzichtbaar van….

In de praktijk maakte ik in die tijd kennis met een kwetsbaar 7 jarige kind dat kwam spelen omdat het zo ingewikkeld voor hem was om goede aansluiting bij anderen te vinden. Er was elders al uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek gedaan, waarbij zowel een aandachttekort probleem als een stoornis in het autistische spectrum niet kon worden aangetoond, maar ook niet kon worden uitgesloten. Zijn ouders vroegen zich af hoe hun kind kon leren zich zekerder en weerbaarder op te stellen en wat hem zou helpen in het zoeken naar aansluiting bij anderen.
Ik zag gedrag dat wel zou kunnen passen bij beide bovenstaande diagnoses: Een kind dat veel in zichzelf de dingen overdacht. Een kind dat ook niet -of veel te weinig- lette op anderen om communicatieve signalen op te pikken. Maar ik zag vooral dat er op sommige ogenblikken ook veel adequater gedrag was. Op momenten dat ik hem aan het lachen kreeg bijvoorbeeld. En op één speciaal moment, namelijk toen ik hem vroeg iets over ‘blij’ te tekenen. Dat deed hij heel secuur en daarna begon hij me te vertellen dat hij zo blij werd van het bekijken van vlinders, waarbij hij trots opsomde welke vlindersoorten hij allemaal al had gezien.
Hij herinnerde me aan mijn eigen kindertijd en de uren die ik mijmerend en gelukkig in  de natuur doorbracht.

Niet lang daarna werd ik ’s ochtend wakker met een citaat uit het dagboek van Anne Frank (23-02-1944 het Achterhuis) in mijn hoofd:
“Voor ieder die bang is, eenzaam of ongelukkig, is stellig het beste middel naar buiten te gaan, ergens waar hij helemaal alleen is, alleen met de hemel, de natuur en God. Want dan pas, alleen dan, voelt men dat alles is zoals het moet zijn en dat God de mensen in de eenvoudige, maar mooie natuur gelukkig wil zien. Zolang dit bestaat, en dat zal altijd zo zijn, weet ik, dat er in welke omstandigheden ook, een troost voor elk verdriet is.
En ik geloof stellig dat bij elke ellende de natuur veel ergs kan wegnemen”.

Ik besloot deze synchroniciteit te gebruiken als inspiratiebron voor een verhaal om dit kind (en daarmee ook  het kind in mij) te sponsoren.

Vuurtje Vuurvlinder

© Reinalda Kerseboom september 2014

Achter in de tuin, daar waar de vlinderstruiken bloeien, fladderde een zwart met oranje gestippelde vlinder. Hij had prachtige, sterke vleugels met heldere kleuren  en mooie stippels. Deze vlinder wist heel goed de weg in de buurt van de vlinderstruiken. Hij wist waar hij zich kon laten warmen door de zon, waar het veiligste plekje was om te schuilen en waar de lekkerste hapjes te vinden waren.

Zijn naam was Vuurtje, want hij was een Kleine Vuurvlinder.
Kleine Vuurvlinders horen bij de vlinderfamilie Blauwtjes. Er bestaan heel veel verschillende soorten Blauwtjes.
Vuurtjes vader was een Heideblauwtje, hij was vaak te vinden op de paarse vlinderstruik. Vuurtjes moeder was een Grote Vuurvlinder, zij verbleef liever op de witte vlinderboom.  Vuurtje fladderde heen en weer, nu eens was hij op de paarse vlinderstruik te vinden, dan weer ergens anders. Maar het liefst van alles zat hij in de buurt van zijn moeder op de witte vlinderboom.

Vuurtje fladderde graag rond met andere vlinders uit de buurt. Hij kende Koolwitje, Atalanta, Boomblauwtje en Dagpauwoog best goed. Het best van allemaal kende hij Kleine Vos.
Vuurtje had een fijn leven, maar toch was er een probleem. Daardoor was  Vuurtje niet altijd zo blij en gelukkig als hij wel zou kunnen zijn.

Vuurtjes moeder had dat natuurlijk in de gaten. Ze zag dat het ingewikkeld voor Vuurtje was om zonder botsingen met de andere vlinders te vliegen. Soms ontstond er ruzie. Soms fladderde Vuurtje eenzaam in het rond en heel soms was Vuurtje lastig en brutaal, ook tegen haar.
Ze begreep dat wel, want ze wist hoe graag Vuurtje het gewoon heel gezellig met de andere vlinders had. Ze deed wat ze kon om Vuurtje te helpen, maar haar hulp was niet genoeg. Daarom vroeg ze raad. Eerst aan de Aurelia’s, toen aan de Pages en ten slotte ook aan de Nachtuilen. Iedereen vond wel iets, het leek wel of ze het allemaal beter wisten. Maar wat ze ook zeiden en wat ze ook deden en hoe Vuurtje het ook probeerde; er bleven te vaak botsingen met andere vlinders. Nog steeds was hij niet de gelukkige vlinder die hij gewoon zou kunnen zijn.

Op een druilerige dag zat Vuurtje op een uitgebloeide zonnebloem te somberen. Hij voelde zich eenzaam. Hij had het koud, alsof zijn eigen vuurtje binnenin hem bijna helemaal was uitgedoofd. Waarom leek het wel alsof niemand vrienden met hem wilde zijn?
De onderkant van Vuurtjes vleugels waren bruin en omdat hij ze stevig dichtgevouwen had, was hij bijna onzichtbaar op de uitgebloeide zonnebloem. Vuurtje keek zelf ook niet om zich heen. Hij had zijn voelsprieten voor zijn ogen getrokken. Daarom had hij niet door dat er naast hem op de zonnebloem een mot was geland.

Plotseling begon de mot te praten: ‘wie ben je en wat voor vlinder ben jij’, vroeg de mot. ‘Wil jij je niet laten kennen?’, ging de mot verder. ‘Je hebt jouw prachtige kleuren in je dichte vleugels opgesloten.’
Verbaasd keek Vuurtje om zich heen. Hij deed van schrik zijn vleugels nog wat steviger dicht en hij trok zijn voelsprieten zo ver mogelijk in. Als je heel goed keek kon je hem in zichzelf zien mompelen: ‘wat is dat…wat is dat… wat heb ik nou …’

‘Nou,’ zei de mot een beetje ongeduldig, ‘komt er nog wat van. Ik wacht op antwoord.’
Vuurtje vond het zó spannend dat hij nog een paar tellen nodig had om te bedenken wat hij zeggen zou. Hij wist niet wat te zeggen en hij wilde vooral ook het goede zeggen, want stel je voor dat hij door zijn antwoord de mot boos zou maken…
Maar nét voor de mot hem nog een keer wilde aansporen fluisterde Vuurtje: ‘Ik ben Vuurtje Vuurvlinder en wie ben jij?’
‘Altijd gedacht dat Vuurvlinders oranje en zwart gestippeld waren’, zei de mot. ‘Jij lijkt zo met je vleugels dicht maar weinig op wat je werkelijk kunt zijn’.
Vuurtje was verbaasd. Hij had zich nooit bedacht dat de onderkant van zijn vleugels er zo anders uitzag. Heel voorzichtig strekte hij zijn voelsprieten weer uit en klapte hij zijn vleugels een eindje open.
‘Als je jezelf zo verstopt,’ zei de mot, ‘weet niemand je te vinden. Ze vliegen je gewoon voorbij.’
Vuurtje hoorde goed wat de mot hem vertelde. Zou het kunnen, dacht hij. Is het dat? En terwijl hij erover nadacht deed hij als vanzelf zijn vleugels weer een eindje dicht en trok hij zijn voelsprieten voor zijn ogen. Daardoor merkte hij niet dat de mot zich verplaatste en hem met een kort knikje van zijn kop wenkte om met hem mee te komen.
Waarom komt hij niet, vroeg de mot zich af. Ik had juist zin om een eindje samen met hem te gaan fladderen. ‘Kom je?’, riep hij.
Vuurtje was helemaal in zijn eigen gedachten en omdat hij eens serieus wilde nadenken besloot hij een nóg stiller plekje op te zoeken.
De mot die zag dat Vuurtje de andere kant dan hij op begon te vliegen riep: ‘kom hierheen joh! Ik weet een heel leuk plekje’. Hij maakte een bocht en probeerde Vuurtje zo zijn kant op te sturen.
Vuurtje schrok zich rot. Hij gaf een schreeuw en toen botste hij pardoes tegen de mot waardoor ze samen door de lucht duikelden en vielen. Ze vielen midden in de modder. Ze werden heel erg vies.
‘Voorlopig kunnen we niet vliegen’, zei de mot terwijl hij probeerde zich schoon te schudden.
Vuurtje zat met dichtgeklapte vleugels en ingetrokken voelsprieten zichzelf af te vragen wat hij nu kon doen.
Als hij naar de mot gekeken had, dan had hij kunnen zien dat die niet kwaad was, zoals Vuurtje in zichzelf had bedacht.
De mot begon juist te beseffen hoe grappig de situatie was: een Kleine Vuurvlinder en een mot allebei grijs van modder. Het was géén gezicht!
Het duurde dan ook niet lang voor er een giechelende lach aan zijn keel ontsnapte.
Dat hoorde Vuurtje wel en lachen maakte hem altijd vrolijk. Het vuurtje binnenin hem leek er vanzelf door op te laaien. Hij deed zijn voelsprieten weer wat voor zijn ogen weg, zodat hij kon zien wat er gebeurde. En heel voorzichtig deed hij ook zijn vleugels open. Ineens lachte hij met de mot mee.
Het was ook géén gezicht! Een Kleine Vuurvlinder en een mot allebei grijs van de modder….

Toen ze uitgelachen waren vertelde Vuurtje de mot van zijn probleem; dat hij het zo lastig vond om niet te botsen met andere vlinders. Dat hij zich zo vaak eenzaam voelde. Dat hij het zo moeilijk vond om gezellig samen overal heen te fladderen, zonder dan altijd de baas te willen zijn.
De mot luisterde aandacht. Toen hij alles gehoord had legde hij een vleugel om Vuurtje heen. ‘Ik wil je wat vertellen, vriend’, zei hij.
Vuurtje kreeg het warm van dit vriendschappelijke gebaar. Hij voelde hoe zijn eigen vuurtje binnenin hem nog krachtiger ging branden. Het leek wel of zijn vleugels ervan gingen schitteren.
‘Laat je vleugels wat vaker open als je met de andere vlinders bent’, zei de mot. ‘Dan kunnen ze zien met wie ze te maken hebben. Je zult zien dat ze jou beter begrijpen als je dat doet. Ik weet het uit ervaring’, ging hij verder. ‘Sinds ik me vaker in het daglicht laat zien, sluit ik steeds meer vriendschappen, zoals met jou vandaag’. En weer begon hij te giebelen.

Vuurtje wilde nadenken over wat de mot had gezegd en als vanzelf, hij was dat nu eenmaal zo gewend, trok hij zijn voelsprieten weer voor zijn ogen en klapte hij zijn vleugels dicht.
‘Je kunt er nu vast mee beginnen’, zei de mot terwijl hij Vuurtje een klein zetje gaf waardoor ze opnieuw samen door de modder rolden.
Vuurtje schudde zijn vleugels uit en dacht: ‘ja, waarom ook eigenlijk niet.’ Hij strekte zijn voelsprieten naar buiten en toen hij zag hoe ze er nu uitzagen…. Voelde hij een onbedwingbare lach om hoog borrelen. De mot lachte uitgebreid met hem mee.

Toen ze uitgelachen en opgedroogd waren spraken ze samen af waar ze als eerste heen zouden fladderen. Ze vlogen eerst naar het lichtste plekje dat de mot wist in de omgeving. Daarna liet Vuurtje de mot het beste schuilplekje in de buurt zien. Daar zaten ze samen.

Ze hadden het, tot de zon onderging, over wat Vuurtje zelf kon doen om te zorgen dat hij gewoon een heel gelukkige Kleine Vuurvlinder werd.

Zo nu en dan fladderden Koolwitje, Atalanta, Boomblauwtje en Dagpauwoog langs.
Nu Vuurtje zijn vleugels meer open liet en zijn voelsprieten meer naar buiten stak, kon hij zien dat ze soms met hem meeluisterden naar de tips die de mot hem gaf over om en om de baas zijn, over je vleugels open laten, over hulp vragen en nog heel veel meer.
En toen Vuurtje nog beter om zich heen keek zag hij dat Kleine Vos naast hem was neergestreken.
‘Als jullie klaar zijn met praten’, zei Kleine Vos, ‘kunnen we dan samen nachtfladderen’, vroeg hij.
Vuurtje knikte naar zijn vriend. ‘Goed plan van jou,’ zei hij. En aan de mot vroeg hij om hem en zijn vriend de weg te wijzen in het donker.

About the Author Reinalda Kerseboom

Reinalda Kerseboom was meer dan 30 jaar speltherapeut. Ze volgde haar NLP-opleidingen en de opleiding tot provocatief coach bij het IEP. Ze was gespecialiseerd in het werken met metaforen. Ze is auteur van een aantal boeken met en over hulpbronverhalen. --- Ze had een praktijk in Renkum, waar ze kinderen, jongeren en ouders zag. ---- Ze geeft momenteel geen therapie meer, maar houdt zich bezig met het management van haar Bed & Breakfast; zij is eigenaar van B&B 'de Kleikamp' in het mooie Renkum, Gelderland. Zeker een bezoek waard!

Leave a Comment: